Tagarchief: Judith Hermann

Lezen als een schrijver – het leesblok Korte Verhalen bij de Schrijversvakschool

In november 2016 startte de zesde jaargang van het ‘Leesblok korte verhalen’, ofwel: ‘Lezen als een schrijver’ bij de Schrijversvakschool in Amsterdam. Op vijf donderdagavonden in de periode november 2016 – mei 2017 verdiepen we ons in uiteenlopende verhalenbundels om te zien wat we daarvan voor onze eigen schrijfpraktijk kunnen leren. De bijkomsten zijn toegankelijk voor zowel studenten van de Schrijversvakschool als voor geïnteresseerde schrijvers van buiten de school.

Met deze vijf verhalenbundels gaan we aan de slag  Lees verder

Zonder licht geen foto… en geen verhaal

Het licht bepaalt hoe we een foto zien. Niet wát we zien, maar hóe. Als we een boom fotograferen bij vol zonlicht en even later opnieuw als er net een grote wolk voor de zon is geschoven, is de boom zelf niet veranderd, maar wel het licht dat op de boom valt.

Iets soortgelijks doet zich in onze verhalen voor. Als schrijver geef de lezer een licht mee waarin de gebeurtenissen gezien kunnen worden. Zonder dat licht tast de lezer in het duister. Ook te veel licht kan trouwens het zicht ontnemen, want dan ziet de lezer alleen maar de lichtbron en niet meer het beeld dat erdoor beschenen wordt.

Met dat licht gaan we een experiment doen. Ik wil namelijk jou als schrijver graag iets laten ervaren. Lees het volgende fragment, dat ik heb geplukt uit het verhaal Micha van Judith Hermann (halverwege).

Maja bracht het kind naar bed. In de kamer met het grote echtelijke bed voor de wandkast met de spiegeldeuren. Een heleboel dekens en kussens. Alice zat aan de tafel in de woonkeuken en luisterde.
Waar is het haasje.
Waar is het haasje.
Daar is het haasje. Daar.
Het lachen van het kind ging over in uitgeput huilen, Maja neuriede, fragmenten van liedjes, vannacht, God houdt de wacht. Slaap, kindje. Slaap. Toen was het stil. Alice dronk venkelthee, ze zette haar kopje geruisloos op het tafelblad, een soort meditatie. Na een poosje kwam Maja uit de slaapkamer en liet de deur voorzichtig aanleunen. Ze ging aan de andere kant van de tafel zitten, nam ook een slok thee en keek, net als Alice, door de terrasdeur naar de donkere tuin. De ruit spiegelde.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

Als je dit fragment zonder context (zonder licht) leest, valt er weinig bijzonders te zien. Een kind wordt naar bed gebracht, twee volwassenen drinken venkelthee. Misschien vraag je je af: waarom moest ik dit fragment lezen, zo bijzonder is het toch niet? Mocht die vraag bij je opkomen, dan moet ik Judith Hermann mijn excuses maken. Ik deed haar onrecht om dit fragment zonder licht aan jullie voor te leggen. Sorry, Judith. Maar ik deed het niet zonder doel. Ik deed het om te laten ervaren hoe noodzakelijk het licht in en op het verhaal is.

Het licht in dit verhaal is: er ligt iemand op sterven, namelijk Micha, de man van Maja. Het kind dat naar bed wordt gebracht is het kind van Maja en Micha – het zal binnenkort geen vader meer hebben. En Alice is een ex van Micha, ze kent Maja nauwelijks, ze is bij Maja om op het kind te passen als Maja haar doodzieke man in het ziekenhuis bezoekt.

Als je het bovenstaande fragment niet los had moeten lezen, maar ingebed in (en beschenen door) wat eraan voorafgaat in Hermanns verhaal, had je eenmaal aangekomen bij het fragment geweten wat er écht aan de hand was. Lees het bovenstaande fragment nog maar eens, maar nu met het licht dat de schrijfster voor je heeft aangestoken. Valt je op dat het ineens een ander fragment is?

De kunst is om te schrijven met voldoende licht. Niet te weinig (zoals door mijn toedoen bij de eerste opdracht gebeurde) en niet te veel. Te veel licht zou er zijn als Hermann constant zou laten zien dat Micha op sterven ligt, als ze dat expliciet zou laten zien in iedere zin, of anders in iedere alinea. Maar Hermann weet als Rembrandt hoe ze met licht en donker moet werken. Kijk maar, hoe het eerder aangehaalde citaat verdergaat:

Heeft hij iets tegen je gezegd, zei Maja.
Nee, zei Alice. Hij sliep, de hele tijd. Hij heeft zich ook nauwelijks bewogen. Zucht af en toe heel zwaar. Meer niet.
Maja knikte. Nou, zei ze, dan ga ik maar. Ik moet eerst even mijn haar kammen.
Alice zei niets. Maja waste in de badkamer haar gezicht, kamde haar haar, ze trok een ander truitje aan, grijs met groene strepen, pluizige zachte wol, het leek op een omgekeerd uitgaan, vond Alice.
Je ziet er mooi uit, zei ze.
Maja zag er mooi uit. Met die opvallende kringen onder haar ogen, klein en bleek en moe, haar haar strak uit haar gezicht gekamd en opgestoken. Een zinderend, donker stralen om haar heen.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

Aan het begin van dit tweede citaat maakt Hermann een opening in het verhaal waardoor het licht naar binnen kan vallen: met drie keer ‘hij’ verwijst ze naar Micha op zijn sterfbed. Maar ze laat ons niet blindstaren op die lichtbron. Nadat ze de opening heeft gemaakt, laat ze zien hoe Maja eruit ziet: ‘Een zinderend, donker stralen om haar heen’.

Wat we hier prachtig zien is Maja (het ‘wat’), in het licht van Micha (het ‘hoe’).

Overigens, dat we in het licht van het overlijden vooral kijken naar degene die achterblijven is niet alleen bedoeld als spel met licht en donker, het is geen spielerei. Het heeft alles te maken met wat de schrijver ons wil laten zien. Zoals de Neue Zürcher Zeitung het treffend verwoordt in een recensie van Alice: ‘de noodzaak van het achterblijven’. Het ‘wat’ van dit verhaal is dus het achterblijven. Het ‘hoe’ is in het licht van de dood.

En Hermann doet nog meer met het licht in haar bundel Alice. De bundel bestaat uit vijf verhalen waarin Alice telkens opnieuw met de dood wordt geconfronteerd. Het licht schijnt hierbij niet alleen steeds binnen een verhaal, maar ook van het ene verhaal naar het andere. Wat je als lezer in het ene verhaal ziet, neem je al dan niet bewust mee naar het volgende verhaal. Dat kan de kracht van een verhalenbundel zijn.

Trouwens niet onbelangrijk: Hermann opent Micha (en daarmee haar hele bundel, want Micha is het eerste verhaal) met voldoende licht:

Maar Micha stierf niet. Niet in de nacht van maandag op dinsdag, ook niet in de nacht van dinsdag op woensdag, wellicht zou hij woensdagavond sterven, of in de nacht van woensdag op donderdag. Alice meende wel eens gehoord te hebben dat de meeste mensen ’s nachts overlijden. De artsen zeiden niets meer, haalden hun schouders op en lieten hun lege, gedesinfecteerde handen zien. We kunnen niet doen. Het spijt ons.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

In dit licht kunnen we het verhaal en de bundel lezen.

De leeservaring met Alice kunnen we vertalen in een paar schrijftips:

Zorg voor licht in je verhaal. Wat er in je verhaal gebeurt, moet in een bepaald licht staan. Maak voor jezelf een onderscheid in wát je laat zien, en hóe je het laat zien. Als je alleen gebeurtenissen hebt, die niet in een bepaalde context kunnen worden gezien, heb je geen verhaal.

Overbelicht je verhaal niet. Als je steeds alleen het licht laat zien, ziet de lezer wel het hóe, maar niet het wát van je verhaal. Of met andere woorden, er is dan wel context, maar geen inhoud.

Ontsteek het licht aan het begin van je verhaal. Als de lezer van het begin af aan voldoende licht heeft, kan hij meteen oog hebben voor het ‘hoe’ in je verhaal. In dit ‘hoe’ toont zich de ware schrijver.

Je feedback op dit blog blijft zeer welkom (dank je wel alvast). Momenteel ben ik sommige blogposts aan het omwerken tot hoofdstukken voor het boek Korte Verhalen Schrijven (verwacht: april 2011). De frequentie van dit blog is voortaan een keer per week. En de eerder aangekondigde bespreking van ‘Het korte verhaal als experiment’ kun je in een van de volgende posts lezen.