Tagarchief: Schrijftips

Het begin van je verhaal: Wat onthul je? Wat verhul je?

Soms lijkt het spannend om de lezer aan het begin van het verhaal even in het onzekere te laten: je wilt niet meteen je kaarten open op tafel leggen, maar een tijdje wachten met dat te doen. Je schrijft bijvoorbeeld een verhaal vanuit een kind, maar je wilt dat niet al in de eerste zin prijsgeven. Lees verder

Een roman in verhalen – voor als je samenhangende verhalen schrijft

De meeste foto’s zijn opgebouwd uit saaie pixels. Een enkele keer blijkt echter dat als je een digitale foto van dichtbij bekijkt, deze niet bestaat uit die saaie pixels, maar uit heel kleine foto’s. Een beroemd voorbeeld van zo’n fotomozaïek prijkte in september 2007 op de cover van het Amerikaanse tijdschrift The Nation: het gezicht van George W. Bush was samengesteld uit foto’s van soldaten die onder zijn bewind waren gesneuveld.
Lees verder

Hoe schrijf je een kort verhaal?

Met het inademen neem je energie op. Bij het uitademen laat je ballast gaan. Tussen het in- en uitademen zit een moment dat er even niets gebeurt. Tussen het uit- en inademen ook. Check het maar. Volg je ademhaling en voel de verschillende fasen: inademen, rust, uitademen, rust, en met inademen begint de cyclus opnieuw. Misschien neem je de rust niet waar, maar er is hoe dan ook een overgangsmoment tussen in en uit, tussen uit en in.
Lees verder

Het korte verhaal als gedicht: je spiegelreflex in de micro-stand

Het korte verhaal kent twee uitersten. Het ene is helemaal uitgezoomd: de panorama-stand, die we vorige keer bespraken. We gaven daaraan de naam kort-verhaal-als-mini-roman. Vandaag kijken we naar hoe je een verhaal schrijft dat helemaal is ingezoomd, in de micro-stand dus, ofwel: het korte-verhaal-als-gedicht. Het is handig om de twee uitersten te kennen: de kans is groot dat het korte verhaal dat je schrijft zich tussen die uitersten bevindt. Ook is het leerzaam om zelf eens een verhaal te schrijven dat zich aan een uiterste bevindt en te zien wat je dat oplevert.

Theorie van het korte-verhaal-als-gedicht
Over de theorie van het korte-verhaal-als-gedicht kon je hier al eerder lezen. Het is goed om te weten dat ik de term ‘korte-verhaal-als-gedicht’ niet gekozen heb vanwege rijm, bladspiegel, of taalgebruik. Wel vanwege: het ver-dichten, het vele weglaten, en vooral: het aan de lezer overlaten om in te vullen wat je als schrijver hebt weggelaten. In andere woorden: in het korte-verhaal-als-gedicht snij je iets uit zijn context. Je bekijkt wat overblijft van heel dichtbij, wat vervreemdend werkt en een nieuwe, ongekende invalshoek oplevert.

De praktijk van het korte verhaal als gedicht
Als voorbeeld van een kort-verhaal-als-gedicht bespreek ik mijn verhaal Je ziet er niets van. Het vertelt in vijf korte bladzijdes over een ik (man, dertiger, samenwonend) die de verjaardag van zijn vrouw viert. We krijgen alleen het kwartier voor aanvang van het feest en ongeveer het eerste halfuur van de verjaardag zelf te zien. Het blijkt dat de man een operatie heeft ondergaan waarbij een oog is verwijderd. Maar het verhaal vertelt niet expliciet over de periode van de operatie. Het is feest en het verhaal opent als volgt:

Citaat

Elvira kijkt naar de taart, naar mij en weer naar de taart. Het ziet er niet langer uit als een taart maar als een hoopje deeg met stukjes appel.
‘Wat heb je nu gedaan?’ vraagt ze.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik. ‘Het ging vanzelf.’
‘Ik ben er de hele ochtend mee bezig geweest,’ zegt ze.
We kijken hoe de slagroom met kaneel langzaam op de keukenvloer zakt.
‘Het komt door mijn oog,’ zeg ik.
‘Wat nou je oog?’
‘Nou gewoon.’
Ze zucht en gaat naast de taart op haar hurken zitten, haar nieuwe rok spant strak om haar bovenbenen. ‘Je kunt toch wel een taart van de keukentafel naar het aanrecht brengen?’ Ze kijkt omhoog, naar mijn ogen, vooral naar mijn góéde oog kijkt ze.
(Uit de bundel
Intiemer dan seks, het verhaal Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

1. Claustrofobisch
Geen weidse landschappen hier. Als lezer zitten we met onze verteller-hoofdpersoon opgesloten in huis. We weten niet in welke woonplaats. En we bezien alles door het ene oog van de hoofdpersoon.

2. Korte periode
We zoomen in op de drie kwartier die het verhaal duurt. Wat daarvoor en daarna gebeurt: daar mag de lezer naar raden.

3. Minieme tempowisselingen en weglatingen
Anders dan in de mini-roman (waarin je een paar decennia kunt samenvatten in een zinsdeel) valt er in het korte-verhaal-als-gedicht nauwelijks te vertragen of te versnellen. Zo moeten we in het voorbeeldverhaal binnen de drie kwartier blijven. Je kunt hier niet eens een uur samenvatten in een zin, want dat zou de grenzen van dit verhaal al overschrijden.

Er zijn wel minieme versnellingen. Nadat het verhaal een pagina heeft besteed aan het begroeten van vier bezoekers, staat er: ‘Zo gaat het nog een tijdje door, met het gebel en de visite die binnenkomt.’ En er wordt niet alleen af en toe versneld, er wordt soms ook een minimale sprong gemaakt. Zo lezen we: “Er wordt gebeld. ‘Doe jij open,’ roept Elvira. Het zijn Moique en Marc.” We schakelen dus na het bellen meteen door naar het moment dat er is opengedaan. Er wordt niet verteld hoe de ik bij het raam vandaan loopt, naar de gang gaat en de deur opendoet. Zo’n tien, twintig seconden zijn weggelaten.

Deze tempo-wisselingen en weglatingen lijken misschien te onbelangrijk om te noemen, maar in het korte-verhaal-als-gedicht zoomen we dusdanig in, dat iedere kleinigheid groot en belangrijk wordt.

4. Geen flashbacks
Als de ik voor het raam gaat staan, sluit hij even zijn goede oog, waardoor hij niets meer ziet. Hij opent het en sluit het weer. Dan is er een gedachte:

De eerste keer dat ik met een oog minder wakker werd, dacht ik: blind. Met mijn goede oog lag ik weggezakt in het kussen den door het katoen zag ik niets meer. (Uit: Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

Is dit een flashback of een gedachte? Daarover verschillen de meningen. Het is ook niet zo belangrijk of je het wel of niet een flashback noemt. Wat belangrijker is, is dat deze gedachte aan een paar maanden geleden actueel wordt in het hier en nu en in het perspectief van de hoofdpersoon. Immers, hij sluit binnen de afbakening van het verhaal (binnen de drie kwartier dat het verhaal duurt) zijn goede oog waardoor hij niets meer ziet. Dit is onlosmakelijk verbonden met het verwijderen van het oog. Het verhaal kent verder geen echte flashbacks.

5. Korte tekst
Een kenmerk van het korte-verhaal-als-gedicht is dat het kort is. Je ziet er niets van is daar een voorbeeld van. Het telt slechts vijf niet al te grote pagina’s.

6. Beeld centraal
In tegenstelling tot het korte-verhaal-als-roman gaat het niet om de langdurige ontwikkeling van het karakter. Daar ontbreekt in een kort-verhaal-als-gedicht simpelweg de tijd voor. Net als in een gedicht moeten we het hier doen met iets dat heel compact is en een grote zeggingskracht heeft: het beeld. Wat dat aangaat vind ik de vergelijking met de fotografie het meest opgaan voor het kort-verhaal-als-gedicht.

Het beeld waarnaar het verhaal Je ziet er niets van zich beweegt staat vind je aan het eind van het verhaal. Dat beeld openbaart zich als de jarige Elvira de op de grond gevallen taart toch aan haar gasten wil voorzetten. Terwijl de gasten haar met het gedrocht de kamer binnen zien lopen, gebeurt er dit:

‘Foutje van mij,’ zeg ik. ‘ Ik had het even niet gezien.’ Ik breng mijn hand naar mijn oog, schuif mijn vingers tussen het oog en de kas. Niet iedereen heeft n de gaten wat ik doe, een paar kijken nog naar de taart. Ik haal het oog eruit, steek het in de lucht. Ik houd het eerst links en draait het met een halve cirkel langzaam naar rechts, zoals de meester vroeger deed als hij een plaatje in een boek liet zien. (Uit: Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

Het beeld ontwikkelt zich nog verder. Het neemt maar liefst een hele pagina (een vijfde van het hele verhaal) in beslag. Het beeld wordt uiteindelijk definitief gemaakt (bevroren) in de slotzin van het verhaal:

Ik kijk de kring rond naar al die gezichten die zien wat ze niet willen zien, ze lijken iets te willen zeggen, iets te willen roepen, maar er is allen het tikken van de klok, het geluid van seconden die voorbijgaan, niet meer dan dat. (Uit: Je ziet er niets van)

Je kunt in dit einde een epifanie zien, maar het belangrijkste voor het korte-verhaal-als-gedicht is dat het een beeld is.

7. Nauwelijks context
Even terug naar het andere uiterste: in het korte-verhaal-als-mini-roman Brokeback Mountain krijgt de lezer veel context. Er is sowieso niet slechts één hoofdpersoon, maar er zijn er twee. En van die twee krijgen we hun relaties te zien, hoe die relaties veranderen, we weten wat voor werk ze hebben gedaan en wat voor werk ze later gaan doen. We kennen hun financiële problemen. We weten hoe hun jeugd was en waar een van de twee begraven wil worden.

Niets van dit alles in het korte-verhaal-als-gedicht Je ziet er niets van. Er is een partner die jarig is, een taart die gevallen is, een oog dat verwijderd is, en er is visite die hier tegen wil en dank mee wordt opgezadeld. That’s it. Daar moeten de lezers en de schrijver het mee doen. Als schrijver ga je in zo’n verhaal dus niet op zoek naar steeds meer context (al ken je misschien de context wel, maar je zet hem niet op papier). In plaats daarvan rangschik je alleen maar steeds opnieuw de paar ingrediënten die je hebt. Toen ik Je ziet er niets van schreef, hoefde ik ‘alleen maar’ de man met zijn oog te confronteren, de vrouw met het oog, de vrouw met de taart, de visite met de taart, de visite met het oog. De kunst is in het moment te blijven, in de situatie, en niet te vluchten in context of in flashback. Alles ten dienste van het slotbeeld.

8. Subjectief
Een kort-verhaal-als-gedicht kan zeer subjectief zijn. Daarmee bedoel ik: dat het verhaal tot stand komt door hoe de persoon naar zijn omgeving kijkt. De verteller-hoofdpersoon is in dat geval onbetrouwbaar, scheidt feit niet van fictie, gedachte niet van werkelijkheid, visie niet van beeld. Aan dit criterium van subjectiviteit voldoet Je ziet er niet van niet. Weliswaar zitten we in de beleving van de hoofdpersoon opgesloten, maar wat we te zien krijgen is feitelijk juist, niet verzonnen. Er ís een oog verwijderd, er ís een taart op de grond gevallen, er ís visite die naar de taart en naar het oog kijkt.

Een verhaal dat wel aan dit criterium van subjectiviteit tegemoet komt is Hiernaast van Tobias Wolff. Daarin spelen de buren een grote rol, maar we vangen alleen even een glimp van de buurman op. Verder wordt het verhaal vooral gevormd door de gedachten die de hoofdpersoon over de buren heeft. En het beeld waarmee het verhaal wordt afgesloten, is niet een beeld dat in werkelijkheid te zien is. Het is een beeld dat de hoofdpersoon zich vormt, een wens, een fantasie.

9. Verfilmbaar als korte film
Met filmregisseur Gerrit van Elst heb ik een paar dagen om de tafel gezeten om enkele verhalen uit mijn debuutbundel uit te werken tot filmscripts. De films zijn er nooit gekomen, de scripts wel. Ze waren goed voor films van elk zo’n tien minuten. Zo’n korte tijd is typerend voor de verfilming van het korte-verhaal-als-gedicht.

10. In een bundel, niet zonder andere verhalen
Dat een kort-verhaal-als-gedicht afzonderlijk wordt uitgeven, ligt niet voor de hand. Vijf kantjes van een half A4, ofwel drie dubbelzijdige pagina’s: het verhaal Je ziet er niets van zou al weggewaaid zijn voor het de boekwinkel bereikte. Nog belangrijker: een kort-verhaal-als-gedicht komt het best tot zijn recht naast de andere verhalen in de bundel. In mijn bundel Intiemer dan seks wilde ik intimiteit ondezoeken in al zijn ongemakken. Geconfronteerd worden met de ziekte van iemand anders (Je ziet er niets van) is daar een voorbeeld van. Geconfronteerd worden met de nieuwe geliefde van je echtgenote (De stille getuige) een ander. En je partner zien opgaan in jullie kind (Blaasjes) weer een ander. De verhalen hebben elkaar nodig. De verhalen vullen elkaar aan, spreken elkaar tegen, gaan een discussie met elkaar aan. Het beeld uit het ene verhaal neem je al lezend (en al schrijvend) mee naar het volgende.

Frequentie van dit blog
Ik ben druk bezig aan het boek Korte Verhalen Schrijven dat in april in de boekwinkel komt te liggen (als er dan nog boekwinkels bestaan, je weet maar nooit met die e-boeken). Enkele posts van dit blog ben ik daarvoor aan het bewerken. Dat betekent dat ik meer uren per week in mijn boek en minder in dit blog zal steken. Voortaan is er helaas dus maar één nieuwe post per week. Een schrale troost: het archief van dit blog breidt zich meer en meer uit. Het is toegankelijk in de rechterkolom via de tab met de toepasselijke naam ‘Archief’. Blader er eens doorheen en laat je verrassen. Of tik een trefwoord in onder ‘Zoek’ en zie wat je tevoorschijn tovert.

Het ene korte verhaal is het andere niet

Het ene korte verhaal is het andere niet. Daardoor kunnen algemene adviezen in een cursus of in een handboek flink verkeerd uitpakken. ‘Gebruik liever geen flashbacks’ heb ik wel eens gehoord. En inderdaad zijn er verhalen die flink opknappen als de schrijver minder met flashbacks strooit. Maar er zijn ook verhalen die je met dat advies om zeep helpt. Het maakt alles uit wat voor soort kort verhaal je voor ogen staat.

Soorten korte verhalen

Een waarschuwing vooraf: meestal is je korte verhaal niet ‘absoluut’ in een van de drie categorieën in te delen. In de praktijk is een verhaal meestal een beetje van het ene, en ietsje meer van het andere. Maar het maken van een (kunstmatig) onderscheid helpt wel om na te denken over je korte verhaal.

1. Het kort verhaal als miniroman

Een verhaal kan een mini-roman zijn. Enkele kenmerken daarvan:

  • decor: panoramisch, meerdere plaatsen
  • periode: lang, de lengte van een mensenleven is niet uitzonderlijk
  • omvang tekst: lang
  • chronologie: flashbacks, flashforwards
  • centraal staat: ontwikkeling van het karakter over een lange periode
  • spelen met tijd: vertragingen en versnellingen (je kunt  een decennium samenvatten in een zin)
  • context: veel context wordt gegeven
  • objectiever: doordat het vanuit verschillende momenten wordt verteld, zit je minder in de waan van het moment
  • verfilmbaar: film op speelfilmlengte
  • uit te geven: als apart boekje

Een voorbeeld van een kort verhaal als mini-roman is Brokeback Mountain van Annie Proulx. In een van de volgende posts lees je waarom je dit verhaal kunt zien als prototype van een verhaal als mini-roman.

2. Het verhaal als gedicht

Met verhaal als gedicht bedoel ik niet een poëtisch taalgebruik of een bladspiegel die doet denken aan poëzie. Wat ik wel bedoel is een verhaal dat ver-dicht is, samengebald is tot de essentie. Kenmerken zijn:

  • decor: beperkte ruimte (soms zelfs: ingesloten)
  • periode: kort, een uur is niet uitzonderlijk
  • omvang tekst: kort
  • chronologie: chronologisch
  • centraal staat: een beeld (wat meer dan eens gepaard gaat met symboliek)
  • spelen met tijd: er valt niet te versnellen (als het hele verhaal maar een uur beslaat, kun je niet tien jaar in een zin stoppen), wel zijn korte periodes weg te laten
  • context: zoveel mogelijk context wordt weggelaten
  • subjectiever: je zit opgesloten in het moment, het personage, en de ruimte
  • verfilmbaar: geen speelfilm, maar een korte film van een paar minuten
  • uit te geven: net zo min als de meeste gedichten is het ‘verhaal als gedicht’ uit te geven als een apart boekje. Het is er te dun voor, en het komt vooral tot zijn recht temidden van je andere verhalen in je bundel.

Een voorbeeld van een ‘kort verhaal als gedicht’ is een verhaal dat ik zelf schreef en al eerder op dit blog besprak: Je ziet er niets van. In een van de volgende posts lees je waarom je dit verhaal kunt zien als prototype. Ook het verhaal Hiernaast van Tobias Wolff kun je zo typeren.

3. Het verhaal als experiment

Philip Stevick zet in zijn inleiding bij Anti-story een paar mogelijkheden voor experimenten op een rijtje. Je kunt deze meer dan interessante inleiding gratis op Amazon lezen. Ik neem hier zijn onderverdeling over, maar in Stevicks betoog komen ze veel meer tot hun recht. Overigens kun je je in je verhaal meestal maar beter beperken tot één experiment tegelijk – anders wordt het wel heel experimenteel. De meeste verhalenschrijvers willen dat hun experiment ook leesbaar is, toch?

  • tegen de mimesis (fictie over fictie)
  • tegen de werkelijkheid (gebruik van fantasie)
  • tegen de gebeurtenis (voorrang voor de stem)
  • tegen het subject (fictie op zoek naar iets om te zijn)
  • tegen de gemiddelde ervaring (nieuwe vormen van extremiteiten)
  • tegen de analyse (de wereld van de fenomenen)
  • tegen de betekenis (vormen van het absurde)
  • tegen de schaal (het minimalistische korte verhaal)

Bij het experimentele verhaal denk ik aan Lydia Davis, Joyce Carol Oates en Ali Smith. Een van de drie zal ik binnenkort op dit blog onder de loep nemen.

Kortom: wordt vervolgd!

En jij?

Ken jij verhalen die je een prototype zijn van een van deze drie categorieën? Denk je dat je zelf vooral in een van deze drie actief bent?

Hoe je levensvisie je korte verhalen beïnvloedt

Levensvisie – zo op het eerste gezicht misschien een vreemd onderwerp op een blog Korte Verhalen Schrijven. Je komt hier immers voor schrijftips, en hoe ik tegen het leven aankijk dat heb ik voor me te houden, en al helemaal niet aan je ‘op te dringen’ als verkapt schrijfadvies.

Inderdaad. Hoe jij tegen het leven aankijkt, dat is helemaal jouw zaak. En daar gaat het juist om: dat het jouw zaak is. Het is iets om bij het schrijven rekening mee te houden. Of sterker nog: het is iets om bij het schrijven voorop te stellen. Het gaat aan alle ideeën over schrijven vooraf. Het overtroeft alle schrijfadviezen.

Dat vraagt om een toelichting. En die kan ik het beste geven aan de hand van hoe ik tegen het leven aankijk en aan de hand van mijn eigen schrijfpraktijk.

Mijn schrijfpraktijk
Om met mijn eigen schrijfpraktijk te beginnen, daar heb je al een beetje zicht op gekregen in de berichten die ik op dit blog post. Bijvoorbeeld dat het voor mij belangrijk is dat er verschillende lagen zitten in het verhaal. Gechargeerd: het personage ziet A, denkt B,  zegt C, en doet D, en dat allemaal in een werkelijkheid die E is. Waarij A, B, C, D en E verschillende en vaak tegenstrijdige dingen zijn (daarover kun je  lezen in de post over de 5 verhaallagen). Ook belangrijk vind ik het om een verhaal te schrijven vanuit een drijfveer van het personage, wat zich uit in een tunnelvisie . Met andere woorden: het personage zit in zijn belevingswereld opgesloten en het is moeilijk zo niet onmogelijk voor hem om echt contact met anderen te maken (die op hun beurt ook hun eigen belevingswereld hebben). Dat zie je niet alleen terug in de inhoud van mijn verhalen, maar ook in de vorm: het perspectief is dat van de tunnelvisie van het personage. De lezer ziet wat het personage ziet. En vaak betekent dat: wat het personage wil zien.

Mijn levensvisie
Die schrijfadviezen komen niet uit de lucht vallen. Aan de ene kant zul je ze ook van sommige andere schrijvers krijgen. Aan de andere kant hebben ze te maken met hoe ik tegen het leven aankijk. Ik denk dat niet alleen personages maar ook wij mensen vaak opgesloten zitten in onze belevingswereld, in onze identiteit. En dat het van daaruit moeilijk is om contact te maken met eveneens in zichzelf opgesloten medemensen. We zijn gevangenen die vanuit onze gevangeniscel contact proberen te maken met anderen die ook in een cel zitten opgesloten.

Dat is geen originele gedachte. Je komt hem ook tegen bij Schopenhauer (in: De wereld als wil en voorstelling) en bij het Boeddhisme. ‘De wereld is mijn voorstelling,’ zegt Schopenauer, ‘maar ik kan me niet om het even wat voorstellen; er is een dwingend beginsel dat ik in eerste instantie in mijzelf ervaar, het is mijn drijvende kracht, mijn wil‘ (bron: Wikipedia). Het Boeddhisme laat trouwens niet alleen het probleem zien, maar biedt ook een uitweg: het ego loslaten. Afijn, het is een kort-door-de-bocht-typering, maar het geeft in ieder geval een denkrichting aan.

Jouw levensvisie
De vraag is natuurlijk wat jouw levensvisie is, en wat voor consequenties dat heeft voor jouw korte verhalen, zowel wat de inhoud als de vorm (schrijftechniek) ervan betreft. Kun je iets zeggen over hoe jouw visie en het schrijven zich tot elkaar verhouden? Een lastige en intieme vraag. Maar wel de meest wezenlijke. Eigenlijk zou je na het lezen van dit blog er even stil bij moeten staan, en pas dan weer overgaan naar de orde van de dag. Maar dat is mijn mening…

EDIT: Dank je wel voor de persoonlijke reacties die jullie tot nu toe gaven. Ik vind het hartverwarmend om te zien dat jullie dit willen delen. Wow! En de discussie is nog niet gesloten hoor 🙂

Tips en inspiratie op het wereldwijde web

Waar op het web kun je als korte-verhalenschrijver terecht voor inspiratie, schrijftips en adviezen? KorteVerhalenSchrijven.nl zet het op een rijtje. Alle sites zijn gratis toegankelijk.

Korte-verhalenschrijvers over collega-korte-verhalenschrijvers

Engelstalig: audio
Iedere maand kiest een verhalenschrijver van naam zijn favoriete verhaal uit het archief van vele tientallen jaren The New Yorker (podcast). Hij leest het verhaal integraal voor, en legt uit wat het verhaal zo bijzonder maakt. Inspirerend!  Enkele voorbeelden:  David Means leest Raymond Carver’s  Chef’s House en vertelt wat hij daaraan bewondert. Mary Gaitskill leest en bespreekt Vladimir Nabokov’s Symbols and Signs. En een favoriet van mij: Jhumpa Lahiri vertelt in geuren en kleuren over William Trevor’s A Day. Wist je trouwens dat zowel Jhumpa Lahiri als Tobias Wolff de verhalen van William Trevor hun grote inspiratiebron noemen?

Nederlandstalig: geschreven tekst
ShortStory.nu laat regelmatig schrijvers aan het woord óver verhalenbundels die zij bewonderen. Zo bespreekt Cathelijn Schilder de bundel Hier begint het verhaal van Tobias Wolff. Thijs de Boer beschrijft wat hem aanspreekt in  het werk van de Rus Anatoli Gavrilov. En de Vlaamse schrijfdocent Roland De Blende bespreekt onder meer John Updike en Jay McInerney.  ShortStory.nu is ook actief op Twitter.

Niet alle korte verhalen zijn hetzelfde, hier lees je over verschillende typen
Comma Press heeft een zeer interessant fonds met zowel oorspronkelijk Engelstalige verhalenbundels, als verhalenbundels die naar het Engels zijn vertaald. Verhalenfestivals die in Europa worden georganiseerd halen hier de mosterd vandaan! Maar Comma Press biedt meer dan mooie bundels. Zo geven ze een overzicht van de drie typen korte verhalen.  Comma Press is daarnaast actief op Twitter en Facebook.

Korte-verhalenschrijvers vertellen over de totstandkoming van hun bundel

Engelstalig
The Short Review is een zeer uitgebreide website, waarin het heerlijk dwalen is. Volgeschreven door publicerende verhalenschrijvers uit de hele wereld. The Short Review bespreekt iedere maand veel nieuwe bundels, en interviewt soms ook de schrijvers ervan (met een licht accent op debutanten).

Nederlandstalig
Ook op het eerder genoemde ShortStory.nu vertellen korte-verhalenschrijvers over het schrijfproces van hun nieuwste bundel. Zo vertelt Maartje Wortel over de totstandkoming van Dit is jouw huis (“De bundel is ontstaan in een atelier aan ‘t IJ in Amsterdam. Het was een fijne plek zonder herinneringen of internet, waardoor mijn fantasie alle ruimte had.”), Thijs de Boer over Vogels die vlees eten (“schrijven blijft een creatief proces waarin je jezelf de ruimte moet gunnen om van je eerder bedachte lijn af te wijken”) en Elke Geurts over Lastmens (“Het schrijven is per dag verschillend, zoals ik ook per dag een andere gemoedstoestand heb”).

En deze hoort eigenlijk niet thuis in het rijtje, maar toch mag je hem niet missen
Write to Done klopt zichzelf op de borst met ‘Unmissable articles on writing’.  Onmisbaar is de site niet, maar inspirerend zeker wel. Het is geen site die specifiek over het korte verhaal gaat, maar hij is te leuk om hier niet te noemen. Hoe vaak ik hier al niet ‘even’ naartoe ben gesurft… (zucht).

En jij?
Ken jij sites die voor het korte verhaal tips en inspiratie bieden (Nederlandstalig of Engelstalig)? Dan heb je waardevolle info voor je collega’s die deze post lezen. Wil je het met ons delen? Dank je wel!

Zo gebruik je de 3 belangrijke plaatsen in je bundel

Ik zie mezelf nog op de vloer zitten met de verhalen van mijn tweede bundel om me heen verspreid. Dat die bundel uitgeven ging worden was toen al zeker, maar de volgorde van de verhalen nog niet. Dan eens maakte ik een stapel met het ene verhaal voorop, dan eens schudde ik de verhalen als een spel kaarten en besloot ik dat er een ander verhaal voorop kwam.

De volgorde van de verhalen is bij een verhalenbundel erg belangrijk. In dat opzicht kun je het met een gedichtenbundel vergelijken. Het gevoel van een verhaal neemt de lezer mee als hij naar het volgende gaat. De verhalen in een bundel verhouden zich tot elkaar, resoneren in elkaar, en er valt heel wat te zeggen over de opeenvolging ervan.

Nadenken over de samenstelling van je bundel is niet alleen interessant als je al veel verhalen geschreven hebt. Het kan je ook verder helpen om nieuwe verhaalideeën te ontwikkelen.

In een bundel zijn er drie belangrijke plaatsen. En hoe voordehandliggend die ook zijn, je kunt er echt je voordeel mee doen door ze goed te gebruiken.

  • Het openingsverhaal. De eerste alinea van dit verhaal opent niet alleen het verhaal zelf, maar ook de bundel in zijn geheel. Het weegt zwaar mee in de afweging van de koper of hij dit boek wel of niet op zijn e-reader gaat zetten. Deze opening moet niet alleen de lezer het verhaal en de bundel binnen lokken, maar ook representatief zijn voor wat hij van de bundel mag verwachten. Komt het toevallig zo uit dat deze openingspagina’s erg komisch zijn, terwijl de rest van je bundel vooral suspense een rol speelt? Geen goede keuze. Waar je wel goed aan doet is je openingsverhaal een inkijkje te laten zijn in het thema van je bundel, zonder dat het dit thema al van alle kanten te laten zien. Zo gaat het openingsverhaal van mijn tweede bundel over een man die moeilijk afscheid kan nemen van zijn ex. Dat is een aspect van het thema ‘relaties in verval’ waarvan de rest van de bundel verschillende stadia laat zien. Je kunt het ook als volgt zien: in een openingsverhaal zit niet alleen de spanningsboog van dat ene verhaal, maar ook het begin van de grotere, overkoepelende spanningsboog van de bundel in zijn geheel.
  • Het titelverhaal. Het titelverhaal geeft niet alleen dit ene verhaal een naam, maar het is ook zo’n beetje de ondertitel van alle andere verhalen in je bundel. Het werpt zijn licht op alle andere verhalen. Voor mijn tweede bundel koos is ervoor het verhaal Misschien maar beter ook het titelverhaal te laten zijn. De vier woorden lijken een onderdeel van een dialoog, en dat past bij het gegeven dat dialogen een voorname rol spelen in de bundel. Net zo belangrijk was voor mij dat er een berusting uit spreekt, en dat de personages in die bundel worstelen met het wel of niet berusten in hun leven en hun relaties. Daar komt nog bij dat het titelverhaal ook de opening is van een drieluik dat in de bundel verstopt zit.
  • Het slotverhaal. Zoals het begin van een openingsverhaal een dubbele functie heeft (namelijk voor het verhaal zelf, maar ook voor de bundel), zo heeft het einde van het slotverhaal een dubbele functie. Je zou kunnen zeggen dat het de bundel en het verhaal afsluit, maar helemaal tevreden ben ik niet met die formulering. Ik vind namelijk de functie van een slot niet is om het verhaal of de bundel af te sluiten, maar om het open te breken. Het opent de bodem van het verhaal, zodat zowel het verhaal, het personage als de lezer in de diepte tuimelen. Het zet het verhaal op losse schroeven, het zorgt ervoor dat alles wat daarvoor verteld is net iets anders geïnterpreteerd moet worden. Zo koos ik voor mijn tweede bundel voor een blijkbaar hoopvol einde: een man en een vrouw gaan uit elkaar, maar ze voelen dat dit niet het einde kan zijn, dat het in ieder geval het begin van een doorstart moet zijn. Daarmee lijkt de sombere bundel positief af te sluiten. Totdat je als lezer beseft dat je al eerder over deze personages hebt gelezen, maar dan over een latere fase in hun leven. Dan realiseer je je dat de hoop die aan het einde gloort ijdele hoop is.

Een extra tip: Omdat deze drie plaatsen in de bundel zo krachtig zijn, zou ik er niet voor kiezen om met het titelverhaal het boek te openen of af te sluiten. Want daarmee zou je het aantal krachtige plaatsen terugbrengen van drie naar twee. Toch zonde.

Oproep
Wie heeft er nog meer tips om de volgorde te bepalen en de posities in de bundel in te nemen?

Contrast – een belangrijk middel

Een van de technieken die je kunt inzetten in je korte verhaal, is het werken met contrast. Ook wat dat aangaat, lijkt een kort verhaal op een foto.
Contrasten kunnen mede de sfeer maken. En contrasten bepalen in hoeverre de elementen van je verhaal van elkaar zijn te onderscheiden. Ze kunnen ervoor zorgen dat het onderscheid toeneemt, maar ook dat het afneemt of zelfs helemaal verdwijnt. In een foto gaat het om het verschil tussen licht en schaduw. In je korte verhaal gaat het om andere verschillen. Contrast kan je helpen met weinig woorden iets neer te zetten, en dat is bij een kort verhaal geen overbodige luxe.

Hoe je in je verhaal contrast kunt aanbrengen

1. personages

contrast tussen personages
Bij het onderscheid tussen personages kun je denken bijvoorbeeld denken aan:

  • man en vrouw
  • jong en oud
  • introvert en extravert
  • allochtoon en allochtoon
  • rijk en arm

De lijst kun je aanzienlijk uitbreiden. Probeer het maar. In je verhaal kun je die verschillen benadrukken, of juist verdoezelen. Verdoezel je de verschillen helemaal, dan zijn de personages niet meer van elkaar te onderscheiden. Drijf je de verschillen op de spits, dan wordt je verhaal zwart-wit, karikaturaal, psychologisch oppervlakkig. Meestal ga je op zoek naar een balans.

contrast binnen personages
Bij het fotograferen zul je er meestal niet voor kiezen om de ene persoon volledig in de schaduw te zetten en de andere volledig te belichten. Het ligt meer voor de hand ieder persoon bij het spel van licht en schaduw te betrekken. Dat geldt ook voor een verhaal. Meestal heeft ieder personage zowel sympathieke als onsympathieke trekken, mannelijke en vrouwelijke kenmerken, ziet hij zowel de licht- als de schaduwzijde van de situatie waar hij in zit.

2. gebeurtenissen
Net als bij personages, kun je bij gebeurtenissen onderscheid maken tussen het contrast tussen gebeurtenissen, en contrast binnen gebeurtenissen.

contrast tussen gebeurtenissen

Bij het contrast tussen gebeurtenissen kun je denken aan:

* somber en vrolijk
* eenvoudig en complex
* verwacht en onverwacht
Ook deze lijst kun je heel lang maken.

contrast binnen gebeurtenissen

Een gebeurtenis is zelden helemaal het een of helemaal het ander. Rondom een begrafenis kan soms ook gelachen worden. Bij een bruiloft kan de sfeer ook om te snijden zijn. Iemand die gegijzeld wordt, kan ook liefde voor de gijzelaar voelen (het Stockholmsyndroom). Met contrasten binnen je gebeurtenissen maak je je verhaal psychologisch aantrekkelijk.

3. Andere contrasten
Hierboven bespraken we twee elementen van je verhaal uitvoeriger: personages en gebeurtenissen. Maar in principe kun je bij alles in je verhaal contrast aanbrengen:

  • decor
  • manier van spreken
  • zinslengte

Dit heeft ook met het ritme van je verhaal te maken. Hierover schreef Thomas Verbogt een mooi deel in de Schrijfbibliotheek: Schrijven is ritme.

Een juist contrast
Er is niet zoiets als een voorgeschreven hoeveeheid contrast die altijd werkt. Belangrijk is wel:

  • niet te veel
  • niet te weinig
  • op de juiste plaatsen

Maar wat dat concreet inhoudt, is in ieder verhaal anders. Wat in het ene verhaal te veel contrast is, kan in het andere verhaal te weinig zijn. Bij een foto genomen in volle zon, zul je de schuif van het contrast naar links zetten. Bij een foto in de schaduw juist naar rechts.

Zelf zet ik meestal in op een hoog contrast binnen het personage en binnen de gebeurtenis. Dat typeert mijn verhalen. Met de andere contrasten ben ik iets minder bezig. Maar nu ik er zo over nadenk, kan het geen kwaad ook de andere mogelijkheden van het contrast bewuster te gaan gebruiken.

En jij?
Welke contrasten zijn in jouw verhalen meestal belangrijk? En welke mogelijkheden voor contrast zou je in je verhalen meer willen onderzoeken?

Wie is toch degene die kijkt?

Wat het allerbelangrijkste is bij het schrijven? Ik geloof niet dat ik me kan beperken tot één ding. Maar wat ik in ieder geval heel belangrijk vind is: kijken.

Kijken is een van de basis-vaardigheden als het gaat om kunst maken. Zonder kijken geen kunst. Zonder kijken geen korte verhalen.

Het gebeurt me regelmatig dat ik een om-mijn-vingers-af-te-likken zo goed verhaal lees, en dat ik denk: dit herken ik, hier had ik zelf ook over kunnen schrijven! Maar ik heb het verhaal niet geschreven, want  ik heb zelf niet bewust genoeg naar het onderwerp (bijvoorbeeld een gebeurtenis) gekeken, ik heb mijn aandacht er niet op gericht om erover te schrijven, ik heb de ‘schrijfwaardigheid’ van het onderwerp niet ingezien.

Invalshoeken om beter te leren kijken:

1. Hoe kijkt het personage in het verhaal dat je leest?
Als ik door een verhaal word gegrepen (en dat gebeurt me gelukkig vaak), vergeet ik er technisch naar te kijken. Maar bij het herlezen vraag ik me standaard af: Wie is degene die in dit verhaal kijkt? En hoe wordt zijn blik beïnvloed door zijn denkkader, door zijn gekleurde bril? Hoe leer ik het karakter kennen door zijn manier van kijken?

2. Hoe kijken de mensen met wie je in real life te maken hebt?
Een paar keer per week kom ik in het centrum van Den Haag. Ik kom daar mijn hele leven al, en eerlijk gezegd valt me er niet zoveel meer op. Maar op een keer liep ik er met een architecte, en ineens stonden er gebouwen die er nog nooit hadden gestaan! Door haar achtergrond, door haar blik, door wat ze vertelde, werd ik me van gebouwen bewust die me niet eerder waren opgevallen. Ik kreeg zelfs oog voor gebouwen waar ze níét over sprak. Ik kon op een andere manier kijken, ik werd mijn omgeving op een andere manier gewaar, ik kon me ook een beetje in de architecte verplaatsen. Een soortgelijke ervaring heb ik soms in mijn eigen woonkamer als ik visite over de vloer heb. Ik vraag me af hoe ze naar mijn kamer kijken, hoe ze dat vanuit hun achtergrond doen. Als de visite eenmaal weg is, is de kamer anders dan voor hun komst, dan duurt het een tijdje voor hun afwezigheid en hun blik verdwenen is.

3. Hoe kijk jij zelf?
Misschien is het moeilijkste wel: onbevooroordeeld naar mezelf kijken. Soms lukt het me, dan kan ik van een afstandje naar mezelf kijken. Meestal met eenvoudige dingen: dan sta ik bijvoorbeeld op uit bed, en laat ik mezelf mijn gang gaan. De dingen die ik doe, laat ik dan aan mezelf over, zonder me ermee te bemoeien. De waarnemende ‘ik’ kijkt ernaar, en registreert. Het kan me ook gebeuren in wat complexere situaties: in een moeilijk gesprek waarin ik het gevoel heb dat ik me moet verantwoorden. Dan kan ik naar mezelf kijken, en de handelende ‘ik’ zien incasseren, argumenteren, plannetjes maken. Ooit dacht ik dat het mezelf ‘splitsen’ in een handelende en een toekijkende ‘ik’ wat ongezond was, maar nu denk ik dat het geen kwaad kan om ook van de buitenkant waar te nemen wat ik doe. Ik denk ook niet dat het te maken hoeft te hebben met navelstaarderij. Ik ben gewoon materiaal voor mezelf, zoals een schilder een zelfportret maakt, niet omdat hij op zichzelf kickt, maar omdat hij zichzelf voor handen heeft – onder alle omstandigheden, juist ook onder die omstandigheden waarin iemand niet gezien wil worden.

Help je mee aan dit blog?
Hoe oefenen jij in kijken? Heb je daar een methode voor? En hoe laat je jouw kijk-ervaring terugkomen in je verhalen? Ik hoop dat we van elkaar kunnen leren.

PS In de vorige post beloofde ik terug te komen op het onderwerp: karakter van de schrijver. Volgens mij heeft ‘kijken’ daar veel mee te maken. Kijken is nodig om jezelf te kunnen zien, om je te ontwikkelen, als mens én als schrijver.

Je moet niet krabben als het niet jeukt

In het Turkse zaakje waar ik de laatste tijd regelmatig zit te werken kwam er gisteren een vrouw naar me toe om te vragen of ik aan het schrijven was. Ze vertelde dat ze zelf ook schreef en dat ze veel triests had meegemaakt en dat al dat triests haar naar het papier drijft. Ze móét er gewoon over schrijven. Niet eens om met de wereld te delen, maar om te overleven. We raakten verder aan de praat en ze wilde het adres van deze website weten. Toen ik dat had gegeven dacht ik: help, volgens mij gaat ze niet gelukkig worden van al die tips.

Zo’n blog vol met adviezen kan overweldigend zijn – lijkt mij. Een regeltje hiervoor, een regeltje daarvoor. Als je al die regels opvolgt, word je knettergek. Ik zou zelf niet in staat zijn nog een letter op papier te krijgen als ik met al die adviezen die ik hier geef rekening moest houden. Ook al heb ik de adviezen gebaseerd op mijn eigen schrijfpraktijk.

Maar waarom dan dit blog? Op het juiste moment kun je baat hebben bij een advies. Bijvoorbeeld op het moment dat je bij het schrijven tegen een probleem aanloopt en daarvoor een oplossing zoekt. Zeker als dat specifieke probleem zich vaker voordoet. Dan kun je baat hebben bij een advies van iemand die er ook mee te maken heeft.

Maar als je een verhaal hebt geschreven dat is zoals je wilt dat het is, in godsnaam, ga het niet verknallen met het toepassen van regels. Geen regels vanwege de regels. Ook al komen ze van dit blog.

Een mooie vergelijking: in het Boeddhisme zijn er leefregels. Maar die regels zijn er alleen voor diegenen die niet weten hoe ze moeten leven. Als je leven goed is zoals het is, hoef je je helemaal niet met regels bezig te houden.

Je moet niet krabben als het niet jeukt.

En jij?
Hoe ga jij met schrijfadviezen om? Wanneer negeer je ze? Wanneer pas je ze toe? Laat het hieronder weten!

Geef geen uitleg in je verhaal. En wel om deze 5 redenen.

Dat je geen uitleg hoeft te geven, is iets dat we als korte-verhalenschrijver wel weten. Het verhaal van Tobias Wolff dat we vorige keer bekeken, was onder meer zo mooi omdat hij geen uitleg gaf en de dingen voor zich liet spreken. Maar waarom ook alweer kun je uitleg maar beter schrappen?

Waarom het zonder uitleg kan

  1. De lezer is niet dom. Of positief bekeken: geef je lezer de kans om zélf te ontdekken hoe het zit. Dat geeft hem het idee dat hij slim is. En dat idee geeft hem de goede moed die nodig is om verder te lezen.
  2. Het verhaal moet voor zich spreken. Als het niet voor zich spreekt, is er iets mis. En als er iets mis is: leg geen noodverband aan, maar verhelp daadwerkelijk het probleem in de tekst. Uitleg is een pleister, geen structurele oplossing.
  3. Een kort verhaal moet zo kort mogelijk. En als je ergens op kunt besparen, dan is het wel uitleg.
  4. De kunst van het korte verhaal is iets suggereren. En uitleg suggereert niet. Uitleg legt uit, meer doet het niet. Het verhaal wordt er plat van.
  5. Met uitleg stap je uit het perspectief van je personages. En dat vind ik wel een van de belangrijkste argumenten. Een voorbeeld. Stel je een tijd en een milieu voor waarin het gewoon was dat er met de ganzenveer geschreven werd. Als je opschrijft dat dat in die tijd de gewoonte was, dan is dat niet uit het perspectief van je personage, want die staat er niet eens bij stil dat hij met een ganzenveer schrijft, zo gewoon is dat voor hem.

Met uitleg verlaat je het universum van de fictie, en dat is nou juist het universum waar je zo hard aan werkt om het te creëren.

Pas op voor uitleg die zich vermomt. Je komt uitleg bijvoorbeeld ook tegen verkleed als een beschrijving, een dialoog, een innerlijke monoloog, een flashback.

‘Ja maar. Deze flash-back moet gewoon, anders begrijpt de lezer er niets van.’ Het gevoel dat je uitleg moet geven, is geen indicatie om daadwerkelijk uitleg te geven. Het is waarschijnlijk een indicatie dat er een probleem zit in je tekst, en dat je dat moet oplossen.

En waarom geef jij geen uitleg?
Hierboven heb ik wat argumenten gegeven om geen uitleg te geven. Vijf vond ik een mooi aantal om mee te beginnen. Maar er zijn vast meer argumenten te bedenken. Of misschien vind je (anders dan ik) dat uitleg niet geschrapt moet worden? Laat het hieronder weten!

Moet je je plot vooraf weten?

Ik heb nog nooit een verhaal geschreven dat verliep volgens een plot dat ik vooraf had bedacht. Soms kwam dat doordat ik tijdens het schrijven sterk van mijn opzet ging afwijken. Vaker gebeurde het dat ik gewoon geen opzet had – ik had alleen een vaag idee van een uitgangspunt, een ‘beginnetje’.

Aanvankelijk voelde ik me met die manier van werken een amateur. Maar gelukkig leverde het wel resultaat op, en daar gaat ’t tenslotte om. En ik las of hoorde steeds vaker dat publicerende collega-verhalenschrijvers ook op die manier bleken te werken. Inmiddels heb ik er vrede mee.

Voor een kort verhaal is het niet erg om alleen een vaag idee te hebben. Schrijvend, tastend, gaat zich vanzelf iets aftekenen. Niet iets dat in één keer goed is, maar wel iets waar een bruikbaar element in zit, een vonk om het verhaal te doen ontvlammen.

Hoeft een kort verhaal dan geen rode draad te hebben? Tuurlijk wel. Maar die hoef je niet vooraf te bedenken (al houdt niemand je tegen als je dat liever wel vooraf doet). Het gaat erom dat die rode draad er uiteindelijk in zit, en dan maakt het niet uit in welke fase van het proces hij erin is gekomen.

Mijn adviezen over het schrijven volgens planning

  1. Werk je altijd zonder planning en loop je steeds vast? Werk dan eens een tijd mét een planning.
  2. Maak je altijd een planning en krijg je (misschien wel daardoor) een geforceerd verhaal met personages die niet van vlees en bloed zijn? Werk dan eens een tijd zónder planning, en laat eerst je karakters tot leven komen. Dan gaat er vanzelf iets gebeuren dat op een verhaal lijkt.
  3. En als je daaraan behoefte hebt, kun je natuurlijk op ieder moment in het schrijfproces nagaan of je goed gebruik maakt van de vier cruciale momenten die er in een verhaal moeten zitten.

Flannery O’Connor over planning
“Toen ik aan dat verhaal begon, wist ik niet dat er iemand in voor zou komen met een houten been. op een morgen schreef ik over twee vrouwen, en voordat ik het wist had een van de twee een dochter met een houten been gekregen. Terwijl het verhaal zich verder ontwikkelde, voerde ik een bijbelverkoper ten tonele, maar zonder enig idee wat ik met hem aan moest. Ik wist niet dat hij het houten been zou gaan stelen tot tien of twaalf regels voordat hij dat zou gaan doen, maar toen ik dat eenmaal zag, begreep ik dat het onvermijdelijk was.” (Flannery O’Connor, vertaling: Vincent Overeem)

Raymond Carver over planning
[nadat hij het de uitspraak van Flannery O’Connor had gelezen:] “Ik was stomverbaasd toen ik dit enkele jaren geleden las. Altijd had ik gedacht dat dat alleen voor mij gold. Ik had me daar altijd voor geschaamd omdat ik ervan overtuigd was dat deze manier van werken op de een of andere manier voorkwam uit mijn eigen tekortkomingen. Ik weet nog hoe geweldig opgelucht ik was bij het lezen van haar woorden.” (Raymond Carver, vertaling: Vincent Overeem)

Thomas Rosenboom over planning
“Mensen die zeggen: ik wil geen schema want ik wil mezelf zo graag laten verrassen, ik heb van die dekselse personages en ik ben benieuwd wat ze vandaag weer gaan doen, want ze luisteren helemaal niet… dan denk ik: zak toch in de grond jongen, hoe kom je erbij.” (Thomas Rosenboom in: Bunker Hill 29, ook de vorige twee citaten zijn daarin te vinden)

Ook handig
In het handboek Korte Verhalen Schrijven (inkijkexemplaar) ga ik in hoofdstuk 15 ‘Straat versus studio’ in op:

  • de voor- en nadelen van een scèneketting
  • de voor- en  nadelen van het werken met een karakterdossier

En jij?