Categorie archief: Vertelperspectief

Hoe zelfrechtvaardiging je korte verhaal op gang brengt – deel 2 uit de serie

anton-chekhov-006Het is het personage zelf dat een verhaal maakt, en het is de schrijver die laat zien hoe dat in zijn werk gaat.

Vorige keer zagen we hoe mensen in het dagelijkse leven verhalen vertellen om zichzelf te rechtvaardigen en hun zelfbeeld overeind te houden. Dit keer zien we wat een schrijver daarmee kan in het korte verhaal Lees verder

Het verhaal als zelfrechtvaardiging – een andere invalshoek om verhalen te schrijven

Sinds een paar jaar mediteer ik af en toe. Soms volg ik dan mijn gedachten en merk ik hoe die als vanzelf verklaringen en rechtvaardigingen aandragen voor wat ik wil en wat ik doe. Zo’n gedachte kan zijn: ‘Ik zou langer willen mediteren, maar het is al avond, en ik moet nog brood halen, en de winkel is heel ver fietsen hiervandaan, en het is door mijn niet al te hoge inkomen dat ik op deze locatie ben gaan wonen. Had ik een beter inkomen dan had ik elders kunnen wonen, dichter bij winkels en had ik nu langer kunnen mediteren omdat ik niet zo lang hoefde te fietsen voor een brood.’

Oké, ik ben niet trots op deze gedachte, maar ik noem hem hier toch, omdat hij illustratief is voor dat ik mezelf dingen wijsmaak, mezelf rechtvaardig, en ik noem de gedachte hier ook omdat hij illustratief is voor hoe het proces van mijn zelfrechtvaardiging verloopt. Ik doe iets, en ongeacht wat het is en hoe goed het is of hoe gewetensvol het is, maak ik er een verhaal van dat  Lees verder

Amy Bloom: samenhang in inhoud, verschillen in vorm

Tijdens de eerste bijeenkomst van het Leesblok Korte Verhalen bij de Schrijversvakschool Amsterdam bespraken we Waar de God van liefde is van Amy Bloom (inkijkexemplaar).

Als je zelf verhalen schrijft, moet je bij ieder verhaal opnieuw allerlei keuzes maken. Is je hoofdpersoon een vrouw of een man? Vertel je het verhaal in de tegenwoordige of in de verleden tijd? Kies je voor een verstild of een explosief einde? Keer op keer loop je daar als korteverhalenschrijver tegenaan. Mijn ervaring is dat er geen vaste regels zijn om je keuze te bepalen, maar dat het wel goed helpt om te kijken hoe andere verhalenschrijvers hun keuze aanpakken. Laten we daarom in de verhalen van Amy Bloom kijken waarvoor zij steeds gekozen heeft. Lees verder

Wat Charles D’Ambrosio ons leert over vertelperspectief

Dit is een gastpost van San Bos.

Charles D’Ambrosio (Seattle, 1958) wordt beschouwd als een van de beste hedendaagse Amerikaanse verhalenschrijvers, en als een echte writer’s writer. Onlangs verscheen zijn nieuwste bundel: Het Dodevissenmuseum (inkijkexemplaar Bol) in het Nederlands. Met interviews is D’Ambrosio terughoudend, maar schrijfster San Bos wist hem over te halen en ontfutselde hem bruikbare tips voor ons verhalenschrijvers. Vandaag deel 1: Het vertelperspectief. Lees verder

Personage, conflict, perspectief – YouTube-college van Frans Stüger

Je kent vast deze drie pijlers van het schrijven van proza: personage, conflict, perspectief. En je weet ook wel dat het personage de interesse van de lezer moet hebben, dat het conflict het verhaal spanning moet geven en dat het perspectief juist moet zijn. De vraag is alleen: hoe krijg je dat allemaal tegelijk voor elkaar? Lees verder

Ieder verhaal heeft 3 perspectieven – ja, ook jouw verhaal!

Deze week filmde ik Frans Stüger – schrijver en schrijfcoach – voor zijn boek Personage, Conflict, Perspectief, dat zojuist is verschenen als het 30e deel in de Schrijfbibliotheek. Het filmpje kun je binnenkort op dit blog zien (ik ben het nog aan het monteren), maar over een gedeelte ervan kun je hieronder vast lezen. En dat is het gedeelte over het perspectief.

Doe je voordeel met de 3 verschillende perspectieven in je verhaal:
Lees verder

Het begin van je verhaal: Wat onthul je? Wat verhul je?

Soms lijkt het spannend om de lezer aan het begin van het verhaal even in het onzekere te laten: je wilt niet meteen je kaarten open op tafel leggen, maar een tijdje wachten met dat te doen. Je schrijft bijvoorbeeld een verhaal vanuit een kind, maar je wilt dat niet al in de eerste zin prijsgeven. Lees verder

Doe je voordeel met het verschil tusen ervaren en terugkijken

Daniel Kahneman (psycholoog, Nobelprijswinnaar economie) maakt in zijn enthousiasmerende presentatie op TED.com een duidelijk verschil tussen enerzijds ervaren en anderzijds reflecteren. Reflecteren gaat hand in hand met het verhaal dat we ons achteraf vormen, en dat verhaal zal afwijken van wat we daadwerkelijk waarnamen, van wat er daadwerkelijk gebeurde – soms een beetje, soms heel veel.
Lees verder

Wat we kunnen leren van verhalenschrijver Thijs de Boer

Het korte verhaal op de rand van monoloog

In sommige verhalen verstrijkt de tijd niet, en toch staan die verhalen niet stil. Ze vertellen en ze vertellen, zonder dat er echt iets gebeurt. Deze verhalen worden voortgedreven door een noodzaak om te vertellen. Maar om wát te vertellen? Daar lijkt het vertellende personage naar op zoek. Welkom in de wereld van het korte verhaal als monoloog.

Thijs de Boer opent zijn debuutbundel Vogels die vlees eten (2010) met een kort verhaal als monoloog: Loopdrang. Er is geen centrale gebeurtenis. Er wordt vooral verteld.

De hoofdpersoon zit in een inrichting. De therapeuten zijn op zoek naar het verhaal van de hoofdpersoon, naar wat hem drijft. Maar het verhaal dat de hoofdpersoon ons vertelt, ontwijkt al die vragen. Hij vertelt over zijn medepatiënten, over de vorige bewoners, over de gangen van het gebouw.

Dit gebouw was vroeger een van de beste plekken in het land om je demente vader of moeder heen te brengen. Maar het tehuis ging failliet, omdat niemand zo veel geld wilde betalen voor degenen die hen in deze wereld hadden gebracht.
En nu slapen wij hier.

Soms rent er een lilliputter rondjes door de gangen terwijl hij schreeuwt: ‘Kijk, de dwerg is aan het rennen! Kijk de dwerg is aan het rennen! Kijk naar zijn grappige armpjes en beentjes! Kijk hoe ze bewegen! Kijk hoe ze bewegen!’
Dit is voordat hij een shot krijgt.

(Uit: Thijs de Boer, Vogels die vlees eten, het verhaal Loopdrang)

Het is zeker geen lineair verteld verhaal. Het is associatief, springt van de hak op de tak. Het verhaal brengt vooral een gevoel over, iets onbenoembaars. Het cirkelt rond een kern, zonder die kern echt te bereiken, we blijven er maar omheen lopen. Het laat zich alleen tussen de regels lezen.

En hier ben ik, tussen al deze gekken. En het enige wat we allemaal met elkaar gemeen hebben, is dat we willen vergeten.

(Uit: Thijs de Boer, Vogels die vlees eten, het verhaal Loopdrang)

Deze vertelling die de essentie bewust ontwijkt, is voor de hoofdpersoon nodig om zijn daadwerkelijke verhaal te verdringen, om niet gek te worden, om te overleven. Die sterke drang om te vertellen is kenmerkend voor het korte verhaal als monoloog.

In een traditionele cursus zal een docent wellicht niet snel met zo’n verhaal aan de slag gaan. Het onttrekt zich aan de gewone manier van vertellen, je kunt er nauwelijks traditionele regels op los laten (als je dat al zou willen). Maar omdat het het korte verhaal als monoloog te mooi en te belangrijk is om over het hoofd te zien, wil ik het toch van dichtbij bekijken. En dan zie ik de volgende kenmerken:

1. Het is geschreven in de eerste persoon. Er is nadrukkelijk een verteller aan het woord.

2. De ik voelt een noodzaak om iets te vertellen. De ik hoeft zich van die noodzaak om te vertellen niet bewust te zijn. Hij hoeft ook niet te vertellen wat die noodzaak is. Hij kan zelfs als bij De Boer bewust de essentie vermijden. Dan is het vertellen vooral een afleidingsmanoeuvre. Maar je voelt als schrijver en als lezer de drang van het vertellende personage.

3. Niet de schrijver maar het personage is aan het woord. Je hoeft niet op zoek naar mooie formuleringen of naar mooie wendingen om als schrijver te schitteren. Je moet wel op zoek naar toon en vertelwijze van je vertellende personage. Naar zijn geheel eigen logica ook.

4. Het verhaal is niet-lineair Het gaat in het verhaal als monoloog niet om gebeurtenissen, en dus ook niet om de ontwikkeling van eventuele gebeurtenissen.

5. Het verhaal is associatief. Het vertellende personage associeert, springt van het een naar het ander. Het is alsof we door een caleidoscoop kijken. Overigens, verwar de associatieve sprongen niet met sprongen in de tijd, al lijken ze daar soms wel op. Strikt genomen gaat het niet om flashforwards en flashbacks, maar om de hak en de tak.

Serie
Deze blogpost over het korte verhaal als monoloog is een deel uit een serie. Eerder kwamen aan bod:

  • Het korte verhaal als mini-roman (voorbeeld: Annie Proulx, Brokeback mountain)
  • Het korte verhaal als gedicht (voorbeeld: Ton Rozeman, Je ziet er niets van)
  • Het korte verhaal als essay (voorbeeld: Ali Smith: Kort waar verhaal)

En jij?
Ken jij verhalen die op de rand van de monoloog zijn? Schrijf je ze wellicht zelf? Deel hier je ervaringen! Dank je wel.

Het korte verhaal als gedicht: je spiegelreflex in de micro-stand

Het korte verhaal kent twee uitersten. Het ene is helemaal uitgezoomd: de panorama-stand, die we vorige keer bespraken. We gaven daaraan de naam kort-verhaal-als-mini-roman. Vandaag kijken we naar hoe je een verhaal schrijft dat helemaal is ingezoomd, in de micro-stand dus, ofwel: het korte-verhaal-als-gedicht. Het is handig om de twee uitersten te kennen: de kans is groot dat het korte verhaal dat je schrijft zich tussen die uitersten bevindt. Ook is het leerzaam om zelf eens een verhaal te schrijven dat zich aan een uiterste bevindt en te zien wat je dat oplevert.

Theorie van het korte-verhaal-als-gedicht
Over de theorie van het korte-verhaal-als-gedicht kon je hier al eerder lezen. Het is goed om te weten dat ik de term ‘korte-verhaal-als-gedicht’ niet gekozen heb vanwege rijm, bladspiegel, of taalgebruik. Wel vanwege: het ver-dichten, het vele weglaten, en vooral: het aan de lezer overlaten om in te vullen wat je als schrijver hebt weggelaten. In andere woorden: in het korte-verhaal-als-gedicht snij je iets uit zijn context. Je bekijkt wat overblijft van heel dichtbij, wat vervreemdend werkt en een nieuwe, ongekende invalshoek oplevert.

De praktijk van het korte verhaal als gedicht
Als voorbeeld van een kort-verhaal-als-gedicht bespreek ik mijn verhaal Je ziet er niets van. Het vertelt in vijf korte bladzijdes over een ik (man, dertiger, samenwonend) die de verjaardag van zijn vrouw viert. We krijgen alleen het kwartier voor aanvang van het feest en ongeveer het eerste halfuur van de verjaardag zelf te zien. Het blijkt dat de man een operatie heeft ondergaan waarbij een oog is verwijderd. Maar het verhaal vertelt niet expliciet over de periode van de operatie. Het is feest en het verhaal opent als volgt:

Citaat

Elvira kijkt naar de taart, naar mij en weer naar de taart. Het ziet er niet langer uit als een taart maar als een hoopje deeg met stukjes appel.
‘Wat heb je nu gedaan?’ vraagt ze.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik. ‘Het ging vanzelf.’
‘Ik ben er de hele ochtend mee bezig geweest,’ zegt ze.
We kijken hoe de slagroom met kaneel langzaam op de keukenvloer zakt.
‘Het komt door mijn oog,’ zeg ik.
‘Wat nou je oog?’
‘Nou gewoon.’
Ze zucht en gaat naast de taart op haar hurken zitten, haar nieuwe rok spant strak om haar bovenbenen. ‘Je kunt toch wel een taart van de keukentafel naar het aanrecht brengen?’ Ze kijkt omhoog, naar mijn ogen, vooral naar mijn góéde oog kijkt ze.
(Uit de bundel
Intiemer dan seks, het verhaal Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

1. Claustrofobisch
Geen weidse landschappen hier. Als lezer zitten we met onze verteller-hoofdpersoon opgesloten in huis. We weten niet in welke woonplaats. En we bezien alles door het ene oog van de hoofdpersoon.

2. Korte periode
We zoomen in op de drie kwartier die het verhaal duurt. Wat daarvoor en daarna gebeurt: daar mag de lezer naar raden.

3. Minieme tempowisselingen en weglatingen
Anders dan in de mini-roman (waarin je een paar decennia kunt samenvatten in een zinsdeel) valt er in het korte-verhaal-als-gedicht nauwelijks te vertragen of te versnellen. Zo moeten we in het voorbeeldverhaal binnen de drie kwartier blijven. Je kunt hier niet eens een uur samenvatten in een zin, want dat zou de grenzen van dit verhaal al overschrijden.

Er zijn wel minieme versnellingen. Nadat het verhaal een pagina heeft besteed aan het begroeten van vier bezoekers, staat er: ‘Zo gaat het nog een tijdje door, met het gebel en de visite die binnenkomt.’ En er wordt niet alleen af en toe versneld, er wordt soms ook een minimale sprong gemaakt. Zo lezen we: “Er wordt gebeld. ‘Doe jij open,’ roept Elvira. Het zijn Moique en Marc.” We schakelen dus na het bellen meteen door naar het moment dat er is opengedaan. Er wordt niet verteld hoe de ik bij het raam vandaan loopt, naar de gang gaat en de deur opendoet. Zo’n tien, twintig seconden zijn weggelaten.

Deze tempo-wisselingen en weglatingen lijken misschien te onbelangrijk om te noemen, maar in het korte-verhaal-als-gedicht zoomen we dusdanig in, dat iedere kleinigheid groot en belangrijk wordt.

4. Geen flashbacks
Als de ik voor het raam gaat staan, sluit hij even zijn goede oog, waardoor hij niets meer ziet. Hij opent het en sluit het weer. Dan is er een gedachte:

De eerste keer dat ik met een oog minder wakker werd, dacht ik: blind. Met mijn goede oog lag ik weggezakt in het kussen den door het katoen zag ik niets meer. (Uit: Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

Is dit een flashback of een gedachte? Daarover verschillen de meningen. Het is ook niet zo belangrijk of je het wel of niet een flashback noemt. Wat belangrijker is, is dat deze gedachte aan een paar maanden geleden actueel wordt in het hier en nu en in het perspectief van de hoofdpersoon. Immers, hij sluit binnen de afbakening van het verhaal (binnen de drie kwartier dat het verhaal duurt) zijn goede oog waardoor hij niets meer ziet. Dit is onlosmakelijk verbonden met het verwijderen van het oog. Het verhaal kent verder geen echte flashbacks.

5. Korte tekst
Een kenmerk van het korte-verhaal-als-gedicht is dat het kort is. Je ziet er niets van is daar een voorbeeld van. Het telt slechts vijf niet al te grote pagina’s.

6. Beeld centraal
In tegenstelling tot het korte-verhaal-als-roman gaat het niet om de langdurige ontwikkeling van het karakter. Daar ontbreekt in een kort-verhaal-als-gedicht simpelweg de tijd voor. Net als in een gedicht moeten we het hier doen met iets dat heel compact is en een grote zeggingskracht heeft: het beeld. Wat dat aangaat vind ik de vergelijking met de fotografie het meest opgaan voor het kort-verhaal-als-gedicht.

Het beeld waarnaar het verhaal Je ziet er niets van zich beweegt staat vind je aan het eind van het verhaal. Dat beeld openbaart zich als de jarige Elvira de op de grond gevallen taart toch aan haar gasten wil voorzetten. Terwijl de gasten haar met het gedrocht de kamer binnen zien lopen, gebeurt er dit:

‘Foutje van mij,’ zeg ik. ‘ Ik had het even niet gezien.’ Ik breng mijn hand naar mijn oog, schuif mijn vingers tussen het oog en de kas. Niet iedereen heeft n de gaten wat ik doe, een paar kijken nog naar de taart. Ik haal het oog eruit, steek het in de lucht. Ik houd het eerst links en draait het met een halve cirkel langzaam naar rechts, zoals de meester vroeger deed als hij een plaatje in een boek liet zien. (Uit: Je ziet er niets van, Ton Rozeman)

Het beeld ontwikkelt zich nog verder. Het neemt maar liefst een hele pagina (een vijfde van het hele verhaal) in beslag. Het beeld wordt uiteindelijk definitief gemaakt (bevroren) in de slotzin van het verhaal:

Ik kijk de kring rond naar al die gezichten die zien wat ze niet willen zien, ze lijken iets te willen zeggen, iets te willen roepen, maar er is allen het tikken van de klok, het geluid van seconden die voorbijgaan, niet meer dan dat. (Uit: Je ziet er niets van)

Je kunt in dit einde een epifanie zien, maar het belangrijkste voor het korte-verhaal-als-gedicht is dat het een beeld is.

7. Nauwelijks context
Even terug naar het andere uiterste: in het korte-verhaal-als-mini-roman Brokeback Mountain krijgt de lezer veel context. Er is sowieso niet slechts één hoofdpersoon, maar er zijn er twee. En van die twee krijgen we hun relaties te zien, hoe die relaties veranderen, we weten wat voor werk ze hebben gedaan en wat voor werk ze later gaan doen. We kennen hun financiële problemen. We weten hoe hun jeugd was en waar een van de twee begraven wil worden.

Niets van dit alles in het korte-verhaal-als-gedicht Je ziet er niets van. Er is een partner die jarig is, een taart die gevallen is, een oog dat verwijderd is, en er is visite die hier tegen wil en dank mee wordt opgezadeld. That’s it. Daar moeten de lezers en de schrijver het mee doen. Als schrijver ga je in zo’n verhaal dus niet op zoek naar steeds meer context (al ken je misschien de context wel, maar je zet hem niet op papier). In plaats daarvan rangschik je alleen maar steeds opnieuw de paar ingrediënten die je hebt. Toen ik Je ziet er niets van schreef, hoefde ik ‘alleen maar’ de man met zijn oog te confronteren, de vrouw met het oog, de vrouw met de taart, de visite met de taart, de visite met het oog. De kunst is in het moment te blijven, in de situatie, en niet te vluchten in context of in flashback. Alles ten dienste van het slotbeeld.

8. Subjectief
Een kort-verhaal-als-gedicht kan zeer subjectief zijn. Daarmee bedoel ik: dat het verhaal tot stand komt door hoe de persoon naar zijn omgeving kijkt. De verteller-hoofdpersoon is in dat geval onbetrouwbaar, scheidt feit niet van fictie, gedachte niet van werkelijkheid, visie niet van beeld. Aan dit criterium van subjectiviteit voldoet Je ziet er niet van niet. Weliswaar zitten we in de beleving van de hoofdpersoon opgesloten, maar wat we te zien krijgen is feitelijk juist, niet verzonnen. Er ís een oog verwijderd, er ís een taart op de grond gevallen, er ís visite die naar de taart en naar het oog kijkt.

Een verhaal dat wel aan dit criterium van subjectiviteit tegemoet komt is Hiernaast van Tobias Wolff. Daarin spelen de buren een grote rol, maar we vangen alleen even een glimp van de buurman op. Verder wordt het verhaal vooral gevormd door de gedachten die de hoofdpersoon over de buren heeft. En het beeld waarmee het verhaal wordt afgesloten, is niet een beeld dat in werkelijkheid te zien is. Het is een beeld dat de hoofdpersoon zich vormt, een wens, een fantasie.

9. Verfilmbaar als korte film
Met filmregisseur Gerrit van Elst heb ik een paar dagen om de tafel gezeten om enkele verhalen uit mijn debuutbundel uit te werken tot filmscripts. De films zijn er nooit gekomen, de scripts wel. Ze waren goed voor films van elk zo’n tien minuten. Zo’n korte tijd is typerend voor de verfilming van het korte-verhaal-als-gedicht.

10. In een bundel, niet zonder andere verhalen
Dat een kort-verhaal-als-gedicht afzonderlijk wordt uitgeven, ligt niet voor de hand. Vijf kantjes van een half A4, ofwel drie dubbelzijdige pagina’s: het verhaal Je ziet er niets van zou al weggewaaid zijn voor het de boekwinkel bereikte. Nog belangrijker: een kort-verhaal-als-gedicht komt het best tot zijn recht naast de andere verhalen in de bundel. In mijn bundel Intiemer dan seks wilde ik intimiteit ondezoeken in al zijn ongemakken. Geconfronteerd worden met de ziekte van iemand anders (Je ziet er niets van) is daar een voorbeeld van. Geconfronteerd worden met de nieuwe geliefde van je echtgenote (De stille getuige) een ander. En je partner zien opgaan in jullie kind (Blaasjes) weer een ander. De verhalen hebben elkaar nodig. De verhalen vullen elkaar aan, spreken elkaar tegen, gaan een discussie met elkaar aan. Het beeld uit het ene verhaal neem je al lezend (en al schrijvend) mee naar het volgende.

Frequentie van dit blog
Ik ben druk bezig aan het boek Korte Verhalen Schrijven dat in april in de boekwinkel komt te liggen (als er dan nog boekwinkels bestaan, je weet maar nooit met die e-boeken). Enkele posts van dit blog ben ik daarvoor aan het bewerken. Dat betekent dat ik meer uren per week in mijn boek en minder in dit blog zal steken. Voortaan is er helaas dus maar één nieuwe post per week. Een schrale troost: het archief van dit blog breidt zich meer en meer uit. Het is toegankelijk in de rechterkolom via de tab met de toepasselijke naam ‘Archief’. Blader er eens doorheen en laat je verrassen. Of tik een trefwoord in onder ‘Zoek’ en zie wat je tevoorschijn tovert.

Het korte verhaal als mini-roman: je spiegelreflex in de panorama-stand

Op een luxe fotocamera kun je veel zelf instellen. Daarnaast is er vaak de mogelijkheid om gebruik te maken van voorgeprogrammeerde standen, zodat je ook zonder kennis van sluitertijden en diafragma meteen aan de slag kunt. Twee uiterste kant-en-klare standen zijn de panorama-stand om een landschap vast te leggen en de micro-stand om van heel dichtbij te fotograferen.

Theorie van het korte verhaal als mini-roman
In de vorige post zagen we zowel de theoretische kenmerken van de panorama-stand (het verhaal als mini-roman) als van de micro-stand (het verhaal als gedicht). Vandaag brengen we de theorie in de praktijk voor de mini-roman. We kijken naar een verhaal dat je bij uitstek kunt karakteriseren als mini-roman (en dus als panoramisch): Brokeback Mountain van Annie Proulx.

Praktijk van het korte verhaal als mini-roman
Misschien heb je de film Brokeback Mountain gezien, die is zo mogelijk nog beroemder dan het verhaal waarop het gebaseerd is. Vanwege de homoseksuele cowboys deed de film veel stof opwaaien – stof dat in de media helaas het zicht ontnam op het vakmanschap waarmee de short story wordt verteld.

Brokeback Mountain (Nederlanse titel: Twee cowboys) vertelt het verhaal van de Amerikaanse plattelandsjongeren Ennis en Jack, die elkaar leren kennen als ze in 1963 een zomer lang schapen drijven op Brokeback Mountain. Daar ontwikkelt zich een intieme en seksuele vriendschap tussen de twee. De rest van het verhaal vertelt over de twintig jaar die daarop volgen – jaren waarin ze elkaar een paar keer in het geheim weerzien op Brokeback Mountain, terwijl ze ieder hun eigen gezin hebben gesticht. Meer hierover kun je lezen in de Engelstalige Wikipedia.

Citaat uit het tweede hoofdstuk

Ze waren opgegroeid op armetierige veeboerderijtjes in tegenover elkaar liggende uithoeken van de staat, Jack Twist in Lightning Flat aan de grens met Montana, Ennis del Mar in de buurt van Sage bij de grens met Utah, twee plattelandsjonges die de middelbare school niet hadden afgemaakt en geen goede vooruitzichten hadden, grootgebracht om hard te werken en af te zien, grofgemanierd, grofgebekt en gewend aan een stoïcijns leven. (uit: Annie Proulx, Brokeback Mountain, vertaling Regina Willemse)

1. Panoramisch
In Brokeback mountain zitten we zeker niet constant opgesloten in een en hetzelfde huis (zoals in het verhaal Hiernaast van Tobias Wolff), maar zijn we buiten op het platteland en in de bergen. En het verhaal speelt zich niet af in slechts één Amerikaanse plaats, maar in zowel Brokeback Mountain als in Lightning Flat en in Sage. Die laatste twee plaatsen komen we meteen tegen in het geciteerde begin van het boek. De schrijver heeft hier uitgezoomd. En het landschap in dit korte verhaal is niet alleen een fraai decor, het is ook functioneel: de even stille als rauwe karakters van Jack en Ennis horen hier thuis.

2. Lange periode
We kijken niet alleen van een afstand naar de ruimte, maar vanuit diezelfde grote afstand ook naar de tijd. Brokeback Mountain bestrijkt de jaren 60 tot en met 80, de tijd waarin Jack en Ennis elkaar leren kennen en in het geheim blijven afspreken. Én Brokeback Mountain vertelt over de periode daarvóór, over hoe de twee zijn opgegroeid. Daarmee krijgen we een beeld van twee mensenlevens.

3. Tempowisselingen
In het eerdere citaat, wordt in één zin de jeugd van Ennis en Jack uiteengezet. Deze zin beslaat een flink aantal jaar, en heeft dus een hoog tempo. Uiteraard wordt dit tempo niet het hele verhaal door volgehouden, anders zou je in drie zinnen klaar kunnen zijn. Er komen ook fragmenten in een laag tempo voor. Neem de opening van het eerste hoofdstuk (dat overigens vele jaren ná het bovengeciteerde tweede hoofdstuk plaatsvindt):

Ennis del Mar wordt voor vijven wakker en hoort de wind aan de trailer rukken en langs de aluminium deur en raamkozijnen naar binnen sissen. De overhemden die aan een spijker hangen trillen zachtjes in de tocht. Hij staat op, krabt de grijze strook buik- en schaamhaar, schuifelt naar het gaskomfoor en giet het restje koffie in een afgebladderde emaille pan; de vlam hult alles in een blauw licht. (uit: Annie Proulx, Brokeback Mountain, vertaling Regina Willemse)

Nu dus alleen het opstaan van Ennis, dat met drie zinnen veel trager is dan het eerdere citaat over de jeugd. Het doet je misschien afvragen: is dit van dichtbij weergeven van Ennis dan nog wel de panorama-stand? Ik vind van wel. In de fotografie kun je met de panorama-stand  de bergen op vele kilometers afstand vastleggen en tegelijkertijd ook de bloem die zich een meter voor je bevindt. Die vereniging van de bloem dichtbij en de bergen veraf geeft de kijker een perspectief mee. De bloem maakt de bergen extra ver weg.

4. Flashbacks
In een verhaal als miniroman is er ruimte voor sprongen in de tijd. Zo ook in Brokeback Mountain. In het eerste hoofdstuk (in de tegenwoordige tijd) zijn we in het verhaalheden, als het afscheid tussen Jack en Ennis al definitief is. Daarna gaat het verhaal in het tweede hoofdstuk via een flashback naar hun jeugd. Het ontwikkelt zich vervolgens (in de verleden tijd) min of meer chronologisch om uiteindelijk uit te komen in het heden.

5. Lange tekst
Toen de verfilming van Brokeback Mountain een kaskraker bleek, werd het verhaal in het Nederlands zelfstandig uitgegeven in een boekje van maar liefst 92 pagina’s: Twee cowboys. Toegeven, het boekje is klein en de letters zijn groot. Maar hoe dan ook, het is vele malen langer dan bijvoorbeeld het ‘korte verhaal als gedicht’ Hiernaast van Tobias Wolff, dat amper 6 pagina’s telt.

6. Ontwikkeling karakters
Het ‘brede’ panorama-perspectief geeft alle ruimte aan een ‘brede’ ontwikkeling van de karakters. We zien verschillende stadia van de gevechten die Ennis en Jack leveren – gevechten met hun ouders, met hun vriendschap, met hun huwelijken en last but not least: met hun eigen gevoelens.

7. Veel context
In Brokeback Mountain komen we veel over de personages te weten. Over de vele baantjes die ze hebben, over hun relaties, over hoe ze met geld omgaan, over het leven van hun ouders, over hun kinderen, over het landschap, over waar ze begraven willen worden, en over nog heel veel meer.

8. Objectief
Een verhaal als mini-roman kan objectief verteld worden (al hoeft dat niet per se). In Brokeback Mountain is er een alwetende verteller. Het perspectief is betrouwbaar. Als er staat: ‘Ze waren opgegroeid op armetierige veeboerderijtjes in tegenover elkaar liggende uithoeken van de staat’, dan zijn de personages daar ook opgegroeid. Het is geen mening, geen vergissing, geen wishful thinking. Aan de objectiviteit draagt bij dat er met afstand naar het verhaal wordt gekeken – een afstand zowel in ruimte als in tijd. Overigens staat die afstand de intimiteit van het verhaal geenszins in de weg. Integendeel!

9. Verfilmbaar op speelfilmlengte
Dat je van een verhaal als mini-roman een film op speelfilmlengte kan maken, bewees de Taiwanees-Amerikaanse regisseur Ang Lee. Hij maakte van Brokeback Mountain een film van maar liefst twee uur en een kwartier (script: Diana Ossana en Larry McMurtry). Interessant is dat de dialogen en beschrijvingen uit het originele verhaal bijna integraal in de film terechtkwamen. Hoe anders kan dat eraan toegaan bij de verfilming van een roman. Zo moest Tessa de Loo wel even slikken toen ze zag hoe veel er uit haar vuistdikke roman De Tweeling moest worden weggelaten om die tot een speelfilm te kunnen bewerken.

10. Apart boekje
Dat Brokeback Mountain als apart boekje kon worden uitgegeven, heeft niet alleen met het aantal pagina’s te maken. Het komt ook doordat het niet per se de context van andere verhalen nodig heeft. Overigens is Brokeback Mountain ook in een bundel van Proulx opgenomen: Close Range, waarin het landschap van Wyoming een van de overkoepelende thema’s is.

En jij?
Heb je iets aan deze lange (te lange?) analyse van een kort-verhaal-als-mini-roman? Jouw gedachten hierover zijn belangrijk voor me bij het samenstellen van het boek Korte Verhalen Schrijven, dat medio 2011 in de boekwinkel ligt. Dank je wel alvast als je me van feedback wilt voorzien!

Geef geen uitleg in je verhaal. En wel om deze 5 redenen.

Dat je geen uitleg hoeft te geven, is iets dat we als korte-verhalenschrijver wel weten. Het verhaal van Tobias Wolff dat we vorige keer bekeken, was onder meer zo mooi omdat hij geen uitleg gaf en de dingen voor zich liet spreken. Maar waarom ook alweer kun je uitleg maar beter schrappen?

Waarom het zonder uitleg kan

  1. De lezer is niet dom. Of positief bekeken: geef je lezer de kans om zélf te ontdekken hoe het zit. Dat geeft hem het idee dat hij slim is. En dat idee geeft hem de goede moed die nodig is om verder te lezen.
  2. Het verhaal moet voor zich spreken. Als het niet voor zich spreekt, is er iets mis. En als er iets mis is: leg geen noodverband aan, maar verhelp daadwerkelijk het probleem in de tekst. Uitleg is een pleister, geen structurele oplossing.
  3. Een kort verhaal moet zo kort mogelijk. En als je ergens op kunt besparen, dan is het wel uitleg.
  4. De kunst van het korte verhaal is iets suggereren. En uitleg suggereert niet. Uitleg legt uit, meer doet het niet. Het verhaal wordt er plat van.
  5. Met uitleg stap je uit het perspectief van je personages. En dat vind ik wel een van de belangrijkste argumenten. Een voorbeeld. Stel je een tijd en een milieu voor waarin het gewoon was dat er met de ganzenveer geschreven werd. Als je opschrijft dat dat in die tijd de gewoonte was, dan is dat niet uit het perspectief van je personage, want die staat er niet eens bij stil dat hij met een ganzenveer schrijft, zo gewoon is dat voor hem.

Met uitleg verlaat je het universum van de fictie, en dat is nou juist het universum waar je zo hard aan werkt om het te creëren.

Pas op voor uitleg die zich vermomt. Je komt uitleg bijvoorbeeld ook tegen verkleed als een beschrijving, een dialoog, een innerlijke monoloog, een flashback.

‘Ja maar. Deze flash-back moet gewoon, anders begrijpt de lezer er niets van.’ Het gevoel dat je uitleg moet geven, is geen indicatie om daadwerkelijk uitleg te geven. Het is waarschijnlijk een indicatie dat er een probleem zit in je tekst, en dat je dat moet oplossen.

En waarom geef jij geen uitleg?
Hierboven heb ik wat argumenten gegeven om geen uitleg te geven. Vijf vond ik een mooi aantal om mee te beginnen. Maar er zijn vast meer argumenten te bedenken. Of misschien vind je (anders dan ik) dat uitleg niet geschrapt moet worden? Laat het hieronder weten!