Categorie archief: Suggestief schrijven

Geef je verhaal de wow-factor

Je kunt in zwart-wit fotograferen. Zwart-wit kan soms precies overbrengen wat je wil zeggen – in dat geval hebben je vorm, je gebeurtenis, je spanning geen kleur nodig. Waarom zou iemand sowieso met kleur fotograferen? Kleur kan iets extra’s overbrengen, iets toevoegen aan de zwart-wit beelden. Die toevoeging is niet altijd nodig, soms zelfs ongewenst. Maar soms heeft een foto met kleur gewoon meer… wow.

Ook verhalen kun je dat ‘wow’ meegeven. Je verhaal kan er krachtiger van worden. De wow-factor kan er zelfs voor zorgen dat je het in minder woorden kunt vertellen en is dus zeer geschikt voor het korte verhaal. De wow-factor in verhalen heet: symboliek.

De wow-factor kun je soms terugvinden in de kleur die een schrijver gebruikt. Neem het volgende fragment waarin een hoofdpersoon te horen krijgt dat haar man is verongelukt.

(…) hoorde ze de radio: de rode motorfiets verpletterd tegen de vrachtwagen, de berijder dertig meter over het asfalt gesleurd! Bloedrode kamerjas over haar naaktheid, rende ze blootvoets en brullend de rua Emiliano af. (Dalton Trevisan, De waanzinnige Weduwe, vertaling August Willemsen)

Twee maal gebruikt Dalton Trevisan hier de kleur rood. Een keer zelfs bloedrood. Rood past hier niet alleen bij de dramatische gebeurtenis en het extraverte personage, maar ook bij de vertelwijze. De waanzinnige weduwe is geen ingetogen (‘grijze’) vertelling.

Als het om symboliek gaat, heeft de schrijver meer mogelijkheden tot zijn beschikking dan alleen de kleur. Neem het verhaal Kistjes van Sanneke van Hassel, uit haar bundel Witte Veder. Een zwangere vrouw wacht op de tram. Bij de halte staat ook een man.

Hij had een klein postuur. Kistjes, een lang niet gewassen spijkerbroek, legergroene trui. Zweem rood haar, gemillimeterd. Haren op zijn polsen en handen. Handen gemaakt om tot vuisten te ballen. Vuisten van krakersdrukwerk, zwart-witaffiches van demonstraties. Berenvuisten. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Wellicht valt je op dat Van Hassel hier met kleur werkt: legergroene trui, zweem rood haar. Maar ze gebruikt meer symbolen. Zo meteen gaan we daar dieper op in. Eerst twee andere meer passages uit haar verhaal.

Een meisje herschikte twee, drie lakceinturen. Een ander trok een glittertanga uit haar tas. Als het erop aankwam, zouden de gedachten van de man dan naar mij uitgaan of naar die meisjes met hun bleue gezichten, die kalveren? Ik droeg leven in mij. Ik was een symbool van vruchtbaarheid. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

De tram zwenkte. Ik helde voorover, wankelde. Legergroene trui, dorre bladeren in mijn neusgaten. Humus. Ik klampte me aan een stoel vast. Knipperde met mijn ogen. Zijn vuisten landden in mijn buik. Ik viel voorover, armen voor mijn onderlichaam. De kistjes trapten tegen mijn schenen, schopten me omver. (…) Opgerold lag ik tussen de tramrails. Een embryo rolde voor mijn voeten, kale jonge rat. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Heb je gezien hoe Van Hassel naast al die kleuren, ook in ieder fragment een symbool gebruikt? Dat doet ze door te verwijzen naar het dierenrijk. In het eerste citaat heeft de man ‘berenvuisten’. In het tweede zijn de meisjes ‘kalveren’. In het derde is het embryo een ‘kale jonge rat’. Doordat je hier slechts fragmenten leest, springt de symboliek er meer uit dan in het verhaal zelf, waar het meer verspreid is, en je er vanwege de mooie spanningsopbouw eerder overheen leest. Toen ik het verhaal voor het eerst las, viel de symboliek me niet op. Dat gebeurde pas bij tweede lezing. Ook studenten die ik dit laat bestudeerden, lezen de eerste keer meestal over de symboliek heen. Ik houd het er maar op dat het geen onkunde van de lezer is, maar kunde van de schrijver. Zij heeft de symbolen niet alleen goed gedoseerd, maar ook treffend gekozen. Doordat de symbolen zo natuurlijk in het verhaal passen, trekken ze niet de aandacht.

Maar er is een passage waarbij geen enkele lezer om de symboliek heen kan. Het is een passage die recensenten bij het verschijnen van de bundel Witte veder graag citeerden om het vakmanschap van Van Hassel aan te tonen. Het hoofdpersonage is inmiddels verder gevorderd met haar zwangerschap. Haar angsten zijn toegenomen:

’s Nachts droom ik dat ik dieren baar, een kip baant zich met al haar veren een weg uit mijn buik, een bloederig kalf scheurt mij open, een schaap met wintervacht glijdt op de keukenvloer, kop eerst. Uit haar buik komen magere lammeren die niet levensvatbaar zijn. Het geblaat is oorverdovend. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Huiveringwekkend. Merk op dat Van Hassel in eerdere passages de symboliek klein hield en verstopte, maar dat ze in deze laatste passage de lezer ermee in het gezicht slaat. Dit is het moment supreme, dit is de epifanie.

Na de epifanie volgt de slotscène van het verhaal Kistjes. Ook in dat einde maakt Van Hassel mooi (en dit keer indirect) gebruik van een symbool. De hoofdpersoon heeft de kinderkamer klaar. Ze heeft een speeldoosje gekocht. ‘Er staan kikkers op. Voor de baby, om bij in te slapen.’ Misschien dat een speeldoosje met kikkers vooral lieve associaties oproept. Maar door de horror die eerder samenging met dierensymboliek, zou ik dit einde bepaald niet een happy end noemen.

Een paar andere opmerkingen nog over de symboliek in dit verhaal. Van Hassel komt met symbolen vanuit het personáge. Het is haar hoofdpersoon die een vergelijking maakt tussen de man en een beer, tussen de meisjes en kalveren, tussen een embryo en een kale jonge rat. Het is niet de schríjver die dit buiten het personage om doet. Doordat de vergelijkingen vanuit het perspectief van het hoofdpersonage zijn, leren we dat personage van binnen uit kennen. Het is zij die iets over anderen zegt, en daarmee over zichzelf. Zij heeft iets met dieren. In het verhaal hadden ook symbolen gebruikt kunnen worden uit de scheepvaart (de man heeft dan bijvoorbeeld handen om een groot roer mee in bedwang te houden, de tram beweegt als een schip in de storm, en het hoofdpersonage zakt zeeziek ineen) maar dan zouden de symbolen niet vanuit het perspectief van het personage komen. Immers: het personage voelt zich in haar zwangere toestand en met al die hormonen in haar lijf wel verbonden met dieren, niet met schepen.

Ook is het mooi dat Van Hassel zich beperkt tot één soort symbolen: die uit het dierenrijk. Had ze bijvoorbeeld dan eens gekozen voor dieren en dan eens voor schepen, dan was het een ongefocust ratjetoe geworden. Het is net als met kleuren: kies ze uit één pallet om ze niet te laten vloeken.

We kunnen onze analyse van Kistjes gebruiken om tot een paar algemene regels voor het schrijven te komen.

Je hóéft geen symbolen te gebruiken. Er zijn genoeg verhalen die schitteren zonder het gebruik van symbolen. Als je ze gebruikt, doe dat dan om kort en krachtig beelden neer te zetten.

Het verhaal moet ook leesbaar zijn zonder de symboliek. Als de lezer oog heeft voor de symbolen, voegt dat een extra betekenislaag toe. Maar voor een minder oplettende lezer moet er genoeg te genieten overblijven.

Wees (aanvankelijk) onopvallend. Zorg ervoor dat ze symbolen bij eerste lezing niet onmiddellijk in het oog springen. Ofwel: je symboliek moet niet zo duimendik erboven op liggen dat de lezer jouw symbolen gaat verwachten.

Gebruik symbolen uit één register (uit één pallet). Het is als met kleuren, zoek kleuren die bij elkaar passen. Kleuren die net niet bij elkaar passen vloeken. En te veel kleuren maken het te bont.

Gebruik diverse intensiteiten. Ook als al is het advies om met symbolen aanvankelijk terughoudend te zijn, bij het moment supreme mag je best flink aanzetten. Zorg ervoor dat je symbolen zich ontwikkelen in intensiteit, zoals ook je verhaal zich ontwikkelt.

Laat symbolen een rol spelen in de ontwikkeling van je verhaal Je kunt symbolen gebruiken in verschillende stadia van je verhaal: om een personage te karakteriseren, om het conflict op gang te brengen (en te houden), voor de epifanie, en ook voor de voltooiing.

Kies symbolen vanuit het personage. Gebruik symbolen niet om te laten zien hoe intelligent of vindingrijk je als schrijver bent, maar wel om de binnenwereld van je ‘kijkende’ personage weer te geven. Gebruik symbolen die je personage zelf ook zou hebben gekozen (tenzij je een verhaal vertelt buiten je personage om, bijvoorbeeld als alwetende verteller.)

Gebruik óf het symbool, óf de beschrijving, niet allebei. Een symbool kan de tekst alleen krachtiger en beeldender maken als je via dat symbool je verhaal vormgeeft. Als je je verhaal zonder dat symbool al hebt gevormd, bijvoorbeeld in een ‘gewone’ beschrijving, en als toegift ook een symbool gebruikt, dan is dat dubbelop. Je verhaal wordt dan juist wijdlopig en minder krachtig.

Je kunt ook vergelijkingen maken bínnen het verhaal. In de gebeurtenissen waarover Van Hassel vertelt, komen geen dieren voor. Ze vergelijkt gebeurtenissen in haar verhaal met (dieren)elementen búíten het verhaal. Je kunt er ook voor kiezen om een vergelijking te maken met elementen bínnen het verhaal. Je vergelijkt dan de ene gebeurtenis met de andere gebeurtenis in je verhaal. Of je vergelijkt je ene personage met het andere. Of de ene karaktereigenschap van je personage met een andere eigenschap van hem. Marisa Silver doet dat een paar keer heel knap in haar verhaal Alone with you.

Je kunt me helpen!
Eind november 2010 lever ik een eerste versie in van het boek Korte Verhalen Schrijven. Daarin zullen wat hiaten zitten, die ik in december wegwerk. Daarna ga ik met het commentaar van mijn redacteur Louis Stiller (van onder andere Schrijven Magazine) aan de slag om de definitieve versie te voltooien. Kortom: nu is een prima moment om me commentaar te geven – ik kan dat nog mooi verwerken. Dank je wel!

De geheime kracht van botsende verhaallagen

Creatief werken met verhaallagen, helpt je zowel je verhaal te beperken als het suggestiever te maken. Het voorkomt dat je verhaal saai wordt, en draagt bij aan het drama. Je kunt het meteen toepassen als je je eerste verhaal schrijft, maar ook als je er al heel wat op je naam hebt staan. Het is iets waar ik zelf bij het schrijven terdege rekening mee houd.

Welke lagen er zijn
Laten we eerst kijken welke verhaallagen er zijn:

  • werkelijkheiddat wat zich objectief voordoet. De zon schijnt. Een auto rijdt tegen een boom.
  • waarnemingwat zintuigen registreren. Ik heb het warm. Ik zie een auto tegen een boom rijden (of ik voel de klap als ik in die auto zit).
  • interpretatiewat iemand denkt dat er gebeurt. Ik denk dat ik het warm heb vanwege de zon. Ik realiseer me dat er een ernstig ongeluk is gebeurd.
  • dialoogwat iemand zegt. Ik vraag aan mijn vriendin of ze het ook zo warm heeft. Ik roep om hulp.
  • handelenwat iemand doet. Ik trek mijn t-shirt uit. Ik bel 112.

Hoe saai het literair is als je geen verschil tussen de lagen aanbrengt
Stel je voor: Er is een brand in mijn woonkamer (werkelijkheid). Ik zie dat er brand is (waarneming). Ik vind dat gevaarlijk (interpretatie). Ik bel de brandweer (handeling) en ik zeg dat er brand is en waar ik woon (dialoog). Het feit dat er brand is, kan spannend zijn. Maar deze uitwerking is dat literair gezien zeker niet. Het is één-op-één, voorspelbaar, saai. Als de lezer één laag kent, kent hij ze allemaal.

Gelijke verhaallagen schrappen
In het bovenstaande voorbeeld van de brand kun je verhaallagen schrappen. Zo kun je de beschrijving van de werkelijkheid en ook de interpretatie weglaten; de waarneming volstaat. De handeling en de dialoog kun je zeer kort houden.

Wat je wint als je wel verschil aanbrengt
Maar in plaats van gelijke verhaallagen schrappen, kun je ook verschil aanbrengen tussen de lagen. Stel je voor: nogmaals is er brand (werkelijkheid), maar nu met een paar wezenlijke verschillen. Ik zie vlammen (waarneming), maar ik heb iets te veel geblowd en denk dat het een open haard is (interpretatie). Ik ga er dichterbij zitten omdat ik het koud heb (handelen) en als een vriendin me toevallig belt, verzwijg ik de open haard (dialoog), omdat ik denk dat ze het toch niet zal geloven. Intussen staat de kamer in lichterlaaie, verbrand ik mijn hand, en weet ik niet hoe ik mijn vriendin moet vertellen dat mijn hand pijn doet terwijl ik de open haard blijf verzwijgen.
Zie je hoe een verschil tussen interpretatie en werkelijkheid het verhaal spannend maakt?
En ook hoe de dialoog boeiend wordt door zowel de werkelijkheid als de interpretatie te ontkennen?

Ook tragisch in te zetten
Misschien doet het vorige voorbeeld vermoeden dat je alleen in absurde situaties met verschillen kunt werken. Maar niets is minder waar. Ook in tragische verhalen werkt het wonderwel. Of sterker nog: het verschil maakt je verhalen tragisch.
Dit keer gaan we uit van een zeventigjarige vrouw die haar man heeft verloren. De man was ernstig ziek, ze heeft hem een paar jaar intensief verzorgd. Na zijn overlijden voelt ze opluchting dat ze allebei van het ziekbed verlost zijn (een gevoel dat er in werkelijkheid is). Ze is zich bewust van die opluchting (waarneming) en aanvaart die voor zichzelf (interpretatie). Maar omdat ze bang is haar twee dochters daarmee te kwetsen, vertelt ze hun dat ze het moeilijk heeft met het verlies, dat ze ’s nachts wakker ligt, en nauwelijks nog eet (dialoog). Om haar woorden kracht bij te zetten wil ze vermageren door minder te eten (handelen). Ze woog toch al niet veel, en als ze tien kilo is afgevallen, adviseren haar dochters haar met klem om naar een lotgenotengroep te gaan, en die raad volgt ze op (ook weer: handelen). Ook hier zorgen botsende verhaallagen voor spanning, die dit keer zeker tragisch is te noemen.

Voor de fijnproevers
Overigens is er steeds een andere mogelijkheid dan ja of nee, en dat is dat de verhaallaag iets in het midden laat. Bijvoorbeeld: het is onbekend of er een brand is (onbekende werkelijkheid). Ander voorbeeld: de zeventigjarige vrouw zegt de ene keer tegen haar dochters dat ze het moeilijk heeft, de andere keer dat het meevalt (onbekend wat ze nou echt wil communiceren). Of de vrouw geeft zich wel op voor de lotgenotengroep, maar gaat er niet naartoe (tegenstrijdige handelingen).

Door het schrappen van gelijke lagen, maak je je verhaal korter. Door verschil aan te brengen in verhaallagen (en ook: bínnen verhaallagen) maak je je verhaal spannender.

Nu jij
Mijn vraag aan jou: Is dit iets waar je je bij het schrijven al bewust van was? En als dit nieuw voor je is, denk je het te gaan toepassen? Deel hieronder je ervaring! Jouw feedback helpt me dit blog en het boek vorm te geven.

5 manieren om je verhaal krachtiger te maken

In de beperking toont zich de meester – voor het korte verhaal is dat bij uitstek het adagium. Maar met alleen beperken kom je er niet. Want anders zou je door alsmaar meer weg te laten een steeds betere schrijver worden, wat eindigt in de publicatie van een stapel blanco papieren. Hoewel ik niet vies ben van een boom opzetten hierover en een blanco papier aangenaam zen vind, wil ik het toch over een andere boeg gooien en het hebben over het krachtig maken van je verhaal. Welke mogelijkheden heb je daartoe?

Hoe maak je je verhaal krachtig?

  1. Het terugkeren van een voorwerp of een gebeurtenis
    Het lijkt een vreemd advies om je verhaal kort en krachtig te houden door iets te laten terugkeren. Immers, terugkeer zorgt voor herhaling, en van herhaling wordt je verhaal langer. Ik kan die gedachtegang volgen, maar ik bedoel het anders. Stel: een eenzame vrouw is er getuige van hoe haar hondje door een auto wordt gegrepen. Het kost wat woorden om dit in je verhaal te laten gebeuren. Maar vervolgens kun je in je verhaal alleen al door het woord ‘auto’ te noemen die gebeurtenis weer bij je lezer oproepen – heel economisch dus, en suggestief. Dat terugkeren kan trouwens zowel binnen een verhaal als binnen de gehele bundel voorkomen.
  2. Iets van buiten je verhaalkader schemert door in je verhaal
    Stel: je personage is getuige van een burenruzie. Je personage kan vanuit zijn woonkamer de buren niet zien, maar wel horen. Uit wat er geschreeuwd wordt creëert de lezer een wereld. Je geeft hem geluid, en hij ziet een beeld. Een ander voorbeeld is dat een voor je personage belangrijk iemand niet op komt dagen op een feestje. Die persoon drukt in zijn afwezigheid wel een stempel op wat er gebeurt. Eigenlijk is er in ieder goed kort verhaal wel iets dat van buiten het kader zijn invloed doet gelden op de wereld binnen verhaal.
  3. Dialoog
    Ook dialoog kan je verhaal krachtig maken. En dan vooral door wat er niet gezegd wordt, wat er verzwegen wordt, wat er verdraaid wordt. A wordt gezegd, B wordt bedoeld. C wordt gezegd, D wordt verzwegen. ‘Subtekst’ noem je dat: de tekst die ónder de dialoog zit. De lezer hoort A en C, en hij denkt B en D. Als A en C kleine dingen zijn, en B en D heel groot, heb je met het voorschotelen van iets kleins, eigenlijk iets heel groots op tafel gezet.
  4. Gelaagd werken
    Wat geldt voor de dialoog, geldt ook voor de tekst als geheel. Oppervlakkig gaat het verhaal over het ene, daaronder gaat het over iets anders. Raymond Carver laat het in zijn verhaal Zij zijn je man niet aan de oppervlakte gaan over een man die zijn vrouw te dik vindt en die wil dat ze afvalt. Maar daaronder gaat het over identiteit, over een diepgeworteld minderwaardigheidsgevoel, over wat mensen op elkaar projecteren. Carver schrijft die onderlaag niet op, maar de goede verstaander heeft aan een half woord genoeg.
  5. It’s in the eye of the beholder
    Als je personage in iedere vrouw een dominante vrouw ziet, dan zegt dat waarschijnlijk weinig over die vrouwen, maar veel over hemzelf. Als een ander personage overal gevaar ziet dat zijn kind kan overkomen, zegt ook dat iets over hemzelf. Door waarneming vertel je als schrijver impliciet iets over de waarnemer. Je laat de waarnemingen van een personage zien, en het is uiteindelijk het personage zelf dat de lezer op zijn netvlies krijgt. Je roept daarmee meer op dan dat je daadwerkelijk op papier zet.

Zie je in bovenstaande voorbeelden hoe ‘krachtig schrijven’ vooral betekent: ‘suggestief schrijven’?

Meer mogelijkheden

Dit zijn maar vijf mogelijkheden. Dat lijkt me voor een blogpost een goede aftrap. Maar graag kom ik eens op meer mogelijkheden terug. Kun je me daar alvast bij helpen? Welke mogelijkheden gebruik jij om krachtig, suggestief te schrijven?