Categorie archief: Epifanie & Einde

Wat Charles D’Ambrosio ons leert over het schrijfproces

Dit is een gastpost van San Bos. Deel 4 in een serie lessen van Charles D’Ambrosio naar aanleiding zijn zojuist verschenen bundel Het dodevissenmuseum (inkijkexemplaar Bol).

San Bos: Hoe ziet uw schrijfproces eruit? Schrijft u al direct met de beperking die een kort verhaal zo nodig heeft of schrapt u veel? Heeft u de plot al voordat u het einde schrijft?

Charles D’Ambrosio

Ik adviseer mensen het proces te leren kennen dat ze het beste ligt. Korte verhalen hebben compressie en verdichting nodig: wat je schrapt of eruit laat is cruciaal maar Lees verder

Geef je verhaal de wow-factor

Je kunt in zwart-wit fotograferen. Zwart-wit kan soms precies overbrengen wat je wil zeggen – in dat geval hebben je vorm, je gebeurtenis, je spanning geen kleur nodig. Waarom zou iemand sowieso met kleur fotograferen? Kleur kan iets extra’s overbrengen, iets toevoegen aan de zwart-wit beelden. Die toevoeging is niet altijd nodig, soms zelfs ongewenst. Maar soms heeft een foto met kleur gewoon meer… wow.

Ook verhalen kun je dat ‘wow’ meegeven. Je verhaal kan er krachtiger van worden. De wow-factor kan er zelfs voor zorgen dat je het in minder woorden kunt vertellen en is dus zeer geschikt voor het korte verhaal. De wow-factor in verhalen heet: symboliek.

De wow-factor kun je soms terugvinden in de kleur die een schrijver gebruikt. Neem het volgende fragment waarin een hoofdpersoon te horen krijgt dat haar man is verongelukt.

(…) hoorde ze de radio: de rode motorfiets verpletterd tegen de vrachtwagen, de berijder dertig meter over het asfalt gesleurd! Bloedrode kamerjas over haar naaktheid, rende ze blootvoets en brullend de rua Emiliano af. (Dalton Trevisan, De waanzinnige Weduwe, vertaling August Willemsen)

Twee maal gebruikt Dalton Trevisan hier de kleur rood. Een keer zelfs bloedrood. Rood past hier niet alleen bij de dramatische gebeurtenis en het extraverte personage, maar ook bij de vertelwijze. De waanzinnige weduwe is geen ingetogen (‘grijze’) vertelling.

Als het om symboliek gaat, heeft de schrijver meer mogelijkheden tot zijn beschikking dan alleen de kleur. Neem het verhaal Kistjes van Sanneke van Hassel, uit haar bundel Witte Veder. Een zwangere vrouw wacht op de tram. Bij de halte staat ook een man.

Hij had een klein postuur. Kistjes, een lang niet gewassen spijkerbroek, legergroene trui. Zweem rood haar, gemillimeterd. Haren op zijn polsen en handen. Handen gemaakt om tot vuisten te ballen. Vuisten van krakersdrukwerk, zwart-witaffiches van demonstraties. Berenvuisten. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Wellicht valt je op dat Van Hassel hier met kleur werkt: legergroene trui, zweem rood haar. Maar ze gebruikt meer symbolen. Zo meteen gaan we daar dieper op in. Eerst twee andere meer passages uit haar verhaal.

Een meisje herschikte twee, drie lakceinturen. Een ander trok een glittertanga uit haar tas. Als het erop aankwam, zouden de gedachten van de man dan naar mij uitgaan of naar die meisjes met hun bleue gezichten, die kalveren? Ik droeg leven in mij. Ik was een symbool van vruchtbaarheid. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

De tram zwenkte. Ik helde voorover, wankelde. Legergroene trui, dorre bladeren in mijn neusgaten. Humus. Ik klampte me aan een stoel vast. Knipperde met mijn ogen. Zijn vuisten landden in mijn buik. Ik viel voorover, armen voor mijn onderlichaam. De kistjes trapten tegen mijn schenen, schopten me omver. (…) Opgerold lag ik tussen de tramrails. Een embryo rolde voor mijn voeten, kale jonge rat. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Heb je gezien hoe Van Hassel naast al die kleuren, ook in ieder fragment een symbool gebruikt? Dat doet ze door te verwijzen naar het dierenrijk. In het eerste citaat heeft de man ‘berenvuisten’. In het tweede zijn de meisjes ‘kalveren’. In het derde is het embryo een ‘kale jonge rat’. Doordat je hier slechts fragmenten leest, springt de symboliek er meer uit dan in het verhaal zelf, waar het meer verspreid is, en je er vanwege de mooie spanningsopbouw eerder overheen leest. Toen ik het verhaal voor het eerst las, viel de symboliek me niet op. Dat gebeurde pas bij tweede lezing. Ook studenten die ik dit laat bestudeerden, lezen de eerste keer meestal over de symboliek heen. Ik houd het er maar op dat het geen onkunde van de lezer is, maar kunde van de schrijver. Zij heeft de symbolen niet alleen goed gedoseerd, maar ook treffend gekozen. Doordat de symbolen zo natuurlijk in het verhaal passen, trekken ze niet de aandacht.

Maar er is een passage waarbij geen enkele lezer om de symboliek heen kan. Het is een passage die recensenten bij het verschijnen van de bundel Witte veder graag citeerden om het vakmanschap van Van Hassel aan te tonen. Het hoofdpersonage is inmiddels verder gevorderd met haar zwangerschap. Haar angsten zijn toegenomen:

’s Nachts droom ik dat ik dieren baar, een kip baant zich met al haar veren een weg uit mijn buik, een bloederig kalf scheurt mij open, een schaap met wintervacht glijdt op de keukenvloer, kop eerst. Uit haar buik komen magere lammeren die niet levensvatbaar zijn. Het geblaat is oorverdovend. (Sanneke van Hassel, Kistjes)

Huiveringwekkend. Merk op dat Van Hassel in eerdere passages de symboliek klein hield en verstopte, maar dat ze in deze laatste passage de lezer ermee in het gezicht slaat. Dit is het moment supreme, dit is de epifanie.

Na de epifanie volgt de slotscène van het verhaal Kistjes. Ook in dat einde maakt Van Hassel mooi (en dit keer indirect) gebruik van een symbool. De hoofdpersoon heeft de kinderkamer klaar. Ze heeft een speeldoosje gekocht. ‘Er staan kikkers op. Voor de baby, om bij in te slapen.’ Misschien dat een speeldoosje met kikkers vooral lieve associaties oproept. Maar door de horror die eerder samenging met dierensymboliek, zou ik dit einde bepaald niet een happy end noemen.

Een paar andere opmerkingen nog over de symboliek in dit verhaal. Van Hassel komt met symbolen vanuit het personáge. Het is haar hoofdpersoon die een vergelijking maakt tussen de man en een beer, tussen de meisjes en kalveren, tussen een embryo en een kale jonge rat. Het is niet de schríjver die dit buiten het personage om doet. Doordat de vergelijkingen vanuit het perspectief van het hoofdpersonage zijn, leren we dat personage van binnen uit kennen. Het is zij die iets over anderen zegt, en daarmee over zichzelf. Zij heeft iets met dieren. In het verhaal hadden ook symbolen gebruikt kunnen worden uit de scheepvaart (de man heeft dan bijvoorbeeld handen om een groot roer mee in bedwang te houden, de tram beweegt als een schip in de storm, en het hoofdpersonage zakt zeeziek ineen) maar dan zouden de symbolen niet vanuit het perspectief van het personage komen. Immers: het personage voelt zich in haar zwangere toestand en met al die hormonen in haar lijf wel verbonden met dieren, niet met schepen.

Ook is het mooi dat Van Hassel zich beperkt tot één soort symbolen: die uit het dierenrijk. Had ze bijvoorbeeld dan eens gekozen voor dieren en dan eens voor schepen, dan was het een ongefocust ratjetoe geworden. Het is net als met kleuren: kies ze uit één pallet om ze niet te laten vloeken.

We kunnen onze analyse van Kistjes gebruiken om tot een paar algemene regels voor het schrijven te komen.

Je hóéft geen symbolen te gebruiken. Er zijn genoeg verhalen die schitteren zonder het gebruik van symbolen. Als je ze gebruikt, doe dat dan om kort en krachtig beelden neer te zetten.

Het verhaal moet ook leesbaar zijn zonder de symboliek. Als de lezer oog heeft voor de symbolen, voegt dat een extra betekenislaag toe. Maar voor een minder oplettende lezer moet er genoeg te genieten overblijven.

Wees (aanvankelijk) onopvallend. Zorg ervoor dat ze symbolen bij eerste lezing niet onmiddellijk in het oog springen. Ofwel: je symboliek moet niet zo duimendik erboven op liggen dat de lezer jouw symbolen gaat verwachten.

Gebruik symbolen uit één register (uit één pallet). Het is als met kleuren, zoek kleuren die bij elkaar passen. Kleuren die net niet bij elkaar passen vloeken. En te veel kleuren maken het te bont.

Gebruik diverse intensiteiten. Ook als al is het advies om met symbolen aanvankelijk terughoudend te zijn, bij het moment supreme mag je best flink aanzetten. Zorg ervoor dat je symbolen zich ontwikkelen in intensiteit, zoals ook je verhaal zich ontwikkelt.

Laat symbolen een rol spelen in de ontwikkeling van je verhaal Je kunt symbolen gebruiken in verschillende stadia van je verhaal: om een personage te karakteriseren, om het conflict op gang te brengen (en te houden), voor de epifanie, en ook voor de voltooiing.

Kies symbolen vanuit het personage. Gebruik symbolen niet om te laten zien hoe intelligent of vindingrijk je als schrijver bent, maar wel om de binnenwereld van je ‘kijkende’ personage weer te geven. Gebruik symbolen die je personage zelf ook zou hebben gekozen (tenzij je een verhaal vertelt buiten je personage om, bijvoorbeeld als alwetende verteller.)

Gebruik óf het symbool, óf de beschrijving, niet allebei. Een symbool kan de tekst alleen krachtiger en beeldender maken als je via dat symbool je verhaal vormgeeft. Als je je verhaal zonder dat symbool al hebt gevormd, bijvoorbeeld in een ‘gewone’ beschrijving, en als toegift ook een symbool gebruikt, dan is dat dubbelop. Je verhaal wordt dan juist wijdlopig en minder krachtig.

Je kunt ook vergelijkingen maken bínnen het verhaal. In de gebeurtenissen waarover Van Hassel vertelt, komen geen dieren voor. Ze vergelijkt gebeurtenissen in haar verhaal met (dieren)elementen búíten het verhaal. Je kunt er ook voor kiezen om een vergelijking te maken met elementen bínnen het verhaal. Je vergelijkt dan de ene gebeurtenis met de andere gebeurtenis in je verhaal. Of je vergelijkt je ene personage met het andere. Of de ene karaktereigenschap van je personage met een andere eigenschap van hem. Marisa Silver doet dat een paar keer heel knap in haar verhaal Alone with you.

Je kunt me helpen!
Eind november 2010 lever ik een eerste versie in van het boek Korte Verhalen Schrijven. Daarin zullen wat hiaten zitten, die ik in december wegwerk. Daarna ga ik met het commentaar van mijn redacteur Louis Stiller (van onder andere Schrijven Magazine) aan de slag om de definitieve versie te voltooien. Kortom: nu is een prima moment om me commentaar te geven – ik kan dat nog mooi verwerken. Dank je wel!

Verhalen gaan over waarnemen (maar sommige gaan er meer over dan andere…)

We hebben al een paar keer stilgestaan bij ‘kijken’. Zo kon je lezen over bewust kijken en over ‘kijken’ als thema in je verhaal. Nan Prüst reageerde op die laatste post met de vraag of eigenlijk niet alle verhalen over kijken gaan. Ik weet het niet zeker, al zou ik  graag met ‘ja’ antwoorden. Om meer meningen hierover te horen, vind je onderaan deze post een poll. Laat van je horen!

Van de serie over ‘kijken’ vandaag het derde deel. We zoomen we in op een voorbeeld dat veelzeggend is en dat je kan helpen als je zelf een verhaal schrijft.

Voorbeeld: Robin Black, De Geleide
Een echt schitterend voorbeeld van een verhaal waarbij het kijken een grote rol speelt is De Geleide van de Amerikaanse schrijfster Robin Black. (Je kunt dit verhaal gratis downloaden.) Het verhaal staat in haar recente debuutbundel Als ik van je hield, zou ik je dit vertellen. In dit verhaal gaat een vader met zijn blinde puberdochter haar eerste geleidehond uitzoeken. Het verhaal speelt zich in een paar uur af (met wat herinneringen er doorheen verweven).

Kijken
Verhalen gaan over kijken. In het verhaal De Geleide kijkt de vader veel naar zijn dochter. Hij kan haar de hele autorit op weg naar de hond onbespied waarnemen, en dat doet hij met vertedering. En hij kan niet alleen naar haar kijken, hij kan ook voor haar kijken. Wanneer zijn dochter hem vraagt hoe het huis van de hondeneigenaar eruit ziet, zegt het verhaal:

“Hij zou eraan gewend moeten zijn dat hij haar ogen is. Hij zou dat langzamerhand niet eens meer moeten merken. Maar nu hij in de auto zit te turen naar dat non-descripte huis, merkt hij dat hij zich verzet tegen haar vragen, zoals hij steeds vaker doet wanneer het een smaakkwestie betreft. Is hij knap? Zijn de bloe- men mooi? Leuk huis? Begrijpt ze hoe vaak die kwesties een mening betreffen en geen feiten? Beseft ze dat ze waarschijnlijk van mening zouden verschillen als ze zelf over die dingen kon oordelen? Dringt het nooit tot haar door wat een zwaar-beschadigd, bijziend filter hij is geworden?” Uit: Robin Black, Als ik van je hield zou ik je dit vertellen, vertaling Reintje Ghoos, uitgeverij Contact

Wegkijken
Veel verhalen gaan niet alleen over kijken, maar ook over wegkijken. In ‘De Geleide’ kijkt de vader niet alleen voor zijn dochter, hij kijkt ook weg voor haar, tegen beter weten in denkend dat hij haar daarmee beschermt. Hij denkt dat wat hij haar niet vertelt, niet voor haar bestaat. Zo is zijn huwelijk met haar moeder niet meer wat het geweest is, maar dat laat hij haar niet zien.

“In het huis van een blind kind kan een huwelijk blijkbaar heel makkelijk ontaarden in een ongeziene pantomime. Ann en hij konden elke maaltijd hun middelvinger naar elkaar opsteken, wist Lila veel.”

Maar vandaag komen er scheuren in de veilige wereld die hij (Jack) voor haar ontworpen denkt te hebben. Hij zal niet langer haar ogen zijn, die functie gaat de hond overnemen. Als hij van een afstandje kijkt hoe zijn dochter met de hond wandelt, noteert de schrijfster:

“Hij kijkt naar het tafereel en probeert het in zich op te nemen. Dit is het schepsel dat van nu af aan de ogen van zijn dochter wordt. De vervanger van Jack, in zekere zin, begrijpt hij.”

Epifanie: anders kijken
De catharsis (epifanie) kan eruit bestaan dat je personage anders gaat kijken. In het voorbeeldverhaal ontvouwt de epifanie zich als de vader uiteindelijk gedwongen wordt te kijken naar iets waarvan hij altijd heeft weggekeken. Hoe dat precies zit, vind ik een spoiler, en laat ik je liever zelf ontdekken bij het lezen van het verhaal. Belangrijk is in ieder geval dat ‘kijken’ en ‘kennen’ met elkaar te maken hebben. Wanneer we niet echt naar iemand willen kijken, dan krijgen we een onjuist beeld van die persoon. Pas als we uiteindelijk daadwerkelijk naar de ander willen (of moeten) kijken, dan leren we die ander kennen.

En jij?
Ken jij verhalen waarin ‘kijken’  of ‘wegkijken’ een meer dan gemiddelde rol speelt? Help ons en noem schrijver, verhaal, en bundel, en geef een korte toelichting. Ik ben benieuwd naar jullie voorbeelden… Dank je wel alvast! (Gezien de aard van dit blog: beperk je tot verhalenbundels.)

Een uitgewerkt voorbeeld van hoe plotten in zijn werk gaat

Vorige keer las je hier over de theorie van het plotten. Vandaag kijken we naar een uitgewerkt voorbeeld daarvan. Bovendien krijg je drie extra aanwijzingen voor je plot.

Even opfrissen: De belangrijke momenten in het plot van je korte verhaal zijn

  • Point of attack
  • Point of no return
  • Andere scharnierpunten
  • Epifanie

Uitgangspunt van het voorbeeld
Als uitgangspunt kiezen we: een terrorist kaapt een vliegtuig. Waar begin je je verhaal? Dat hij anti-Westerse ideeën begint te koesteren? Zijn eerste dag in een trainingskamp? Zolas je weet, ben ik voorstander van een verhaal met een kort tijdsbestek. Daarom kies ik hier voor een verhaal dat start op de dag van de fatale vlucht, en laat ik de voorgeschiedenis achterwege. Je kunt natuurlijk een ander soort verhalen schrijven met een ander soort begin. Maar voor het voorbeeld houden we deze dag aan.

1. Point of attack
Een point of attack kan zijn dat de terrorist door de laatste douanepost gaat. Hij wordt niet aangehouden, hij kan het vliegtuig in. Er staat iets te gebeuren.

2. Point of no return
Het kan zijn dat ons personage zich in het vliegtuig bedenkt, dat hij zijn plan toch niet gaat uitvoeren. Daarom is de point of no return belangrijk. Je hoeft niet meteen met dat point of no return te komen (laat je personage en de lezers gerust even in spanning), maar op een gegeven moment moet je personage opstaan uit zijn stoel, zijn wapen trekken en zijn plannen bekend maken. Het is menens. Dat is de functie van de point of no return.

3. Andere scharnierpunten
Daarna komen er andere wendingen in je verhaal. Misschien dat het pistool van je personage dienst weigert. Of dat hij begint te hyperventileren. Of dat hij ontdekt dat er een belangrijk geestelijk leider in het vliegtuig zit, waardoor hij zijn plan niet langer voor  kan rechtvaardigen. Scharnierpunten brengen je personage verder in problemen, geven je verhaal een nieuwe wending. Dat is een kenmerk ervan. Een ander kenmerk is dat scharnierpunten aansluiten op de point of attack en op de point of no return. Heeft een mogelijk scharnierpunt niet te maken met de point of attack en de point of no return, dan is het waarschijnlijk niet echt een scharnierpunt.

4. Epifanie
De epifanie is het moment waarop het verhaal zijn onderliggende diepte bereikt (hoewel sommige schrijvers het juist hebben over een hoogtepunt). De epifanie is het eindpunt waarbij het verhaal over (net) iets anders gaat dan de lezer dacht. Hieronder lees je extra tips hiervoor.

Extra tip: Je epifanie komt uit de diepte
De meeste scharnierpunten gaan over de oppervlakte van het verhaal: in dit voorbeeld gaat het personage door de douane, en in het vliegtuig trekt hij zijn pistool. Het zijn belangrijke momenten, maar ze lijken aan de oppervlakte te blijven. Je epifanie is het scharnierpunt dat niet aan de oppervlakte blijft. Hier gaan we de diepte in. Het hele voorbeeld met  zijn scharnierpunten leek te gaan over: gaat het vliegtuig wel of niet neerstorten. In de epifanie moet iets gebeuren waardoor we met een andere blik naar het verhaal gaan kijken, waardoor we ons een andere vraag gaan stellen dan of het vliegtuig ja of nee wordt opgeblazen. We raken nu de kern van het verhaal. En minstens net zo belangrijk: we raken de kern van het personage. We leggen iets bloot van hem dat wij en hij misschien niet hadden willen zien, maar dat er toch blijkt te zijn. Eerder in het verhaal was het er misschien alleen nog onderhuids, nu is het er open en bloot.

Extra tip: een flashback is geen scharnierpunt (dus ook geen epifanie)
Een flashback is nooit een scharnierpunt (dus ook geen epifanie). Stel je voor dat onze terrorist ooit atheïst was en zich twee jaar geleden heeft bekeerd tot een extremistisch geloof, dan is een flashback van die bekering geen keerpunt in je verhaal. Die bekering heeft zich namelijk al voltrokken voordat je eigenlijke verhaal begint, en verandert het verhaal (nu het eenmaal begonnen is) niet. En geen verandering betekent geen keerpunt. Of positief geformuleerd: een keerpunt moet een verandering in het heden inhouden, hoe klein ook. Het betekent overigens niet dat een flashback verboden is, maar een flashback is geen scharnierpunt, is geen epifanie. Dit is trouwens ook de reden dat veel schrijvers niet zo gecharmeerd zijn van flashbacks.

Extra tip: een epifanie is geen konijn uit een hoge hoed
Sommige schrijvers toveren bij de epifanie een konijn uit een hoge hoed. Een man blijkt ineens een vrouw te zijn. Of het verhaal blijkt een droom. Of er blijkt in de laatste alinea nog een niet eerder genoemde tweede terrorist die er met de eer vandoor wil gaan. Daar ben ik geen voorstander van. De epifanie mag weliswaar van een andere orde zijn dan je eerdere scharnierpunten, hij moet wel in het verlengde van het verhaal liggen. Vergelijk het met een  meesterzet in een schaakpartij: hoe onverwacht ook, hij volgt wel degelijk uit de eerdere zetten. Met andere woorden: je moet bij de epifanie niet het schaakbord omdraaien om aan de andere kant verder te gaan met dammen. (Wil je toch een konijn uit een hoge hoed toveren, dan kun je hier terecht)

Help! Mijn vraag aan jou
Dit keer vraag ik je een epifanie bij het bovenstaande terrorisme-voorbeeld te bedenken. Hoe zou jouw epifanie er in het kort uitzien? (Alleen een beknopte omschrijving van hooguit een paar regels, niet in verhaalvorm uitgeschreven.) Dank alvast voor het meedenken. Hopelijk kunnen we met zijn allen nog duidelijker maken wat de potentie van een epifanie is.

Zo maak je een sterke plot. 4 belangrijke momenten in je korte verhaal

Als je een strakke plot voor je verhaal wilt ontwerpen, dan is deze post voor jou bedoeld. Niet dat je per se vooraf die plot hoeft te bedenken, al mag dat natuurlijk wel. Je kunt ook in een later stadium eraan schaven, als je merkt dat je verhaal nog ‘iets nodig heeft’. Of als je verhaal begint te ‘zwabberen’. Ook voor dat latere stadium zijn de punten in deze post een houvast voor je.

Dit zijn de vier momenten die bij een strakke plot van je korte verhaal horen:

1. Point of Attack
De Point of Attack is het eerste scharniermoment in je tekst. Hier begint het verhaal pas echt. Alles wat de lezer ervoor heeft gelezen, bleek slechts een aanloopje. En omdat het voorgaande een aanloopje is, komt je point of attack zo snel mogelijk. Een kort verhaal biedt geen ruimte voor een lange aanloop. Maar wat is die point of attack? Het is een verandering in het gewone leven van je personage. Het is het moment waarop zijn dag of zijn leven niet langer hetzelfde is als altijd. Stel je voor: een man die zo van zijn werk baalt dat hij iedere werkdag begint met een ontslagbrief schrijven, die hij daarna wist. Dit is de aanloop, zo gaat iedere dag. De point of attack is als hij de brief voor het eerst print. Dit is nieuw. Deze dag wordt anders. Als je die point of attack op de eerste bladzijde opneemt, komt het verhaal lekker snel op gang. Al is die eerste pagina natuurlijk geen ijzeren wet.

2. Point of no return
Point of no return is het moment dat vroeg of laat volgt op je point of attack (liever vroeg dan laat trouwens). De point of no return zorgt ervoor dat dit DEFINITIEF een andere dag dan anders wordt. De man uit het vorige voorbeeld kan zijn ontslagbrief uit de printer pakken, verscheuren en door de wc spoelen. Deze dag wordt dus toch niet definitief anders, er is geen point of no return. Maar hij kan ook de brief niet verscheuren en aan zijn teamleider geven. Nu is er geen weg meer terug. Het is goed om na de point of attack wat rust in te bouwen en de lezer te laten twijfelen of er nu wel of niet iets definitiefs gaat gebeuren. En net als er wat rust is, kom je met de klap van je point of no return.

3. Andere scharniermomenten
Je zou je point of attack en je point of no return de eerste twee scharnierpunten in je verhaal kunnen noemen. Daarna volgen er andere scharnierpunten, waar ik geen afzonderlijke namen voor heb. Ik gooi ze oneerbiedig op een hoop, terwijl het toch afzonderlijke momenten zijn. Dat de team-leider de ontslagbrief openmaakt en begint te lezen, kan zo’n punt zijn. De spijt die het personage ineens voelt, kan een andere scharnierpunt zijn. Afhankelijk van de lengte en de aard van je verhaal zijn er maar een paar andere of juist heel veel scharnierpunten.

4. Epifanie
De epifanie heb ik in dit rijtje opgenomen omdat die een belangrijk scharniermoment in je verhaal is. Ze volgt op de eerdere scharnierpunten en geeft je verhaal een definitieve wending.  Stel je voor dat je personage in het gesprek met zijn team-leider zijn ontslag terugtrekt. Dit zou ik een te mager einde van het verhaal vinden, het is te eenduidig, het reduceert het verhaal tot: dient hij wel of niet definitief zijn ontslag in? Daarom zou ik het verhaal na het terugtrekken van het ontslag nog even laten doorgaan tot je het echt kunt verdiepen. Stel dat je personage zich na dat intrekken van het ontslag de volgende ochtend realiseert dat hij nu geen ontslagbrief meer kan schrijven omdat hij al heeft laten zien dat hij toch niet doorzet en zijn leidinggevende hem niet serieus zou nemen als hij toch die brief weer schrijft. Dan kan hij pas echt de benauwenis voelen van altijd dit werk blijven doen. Dat is een mooie epifanie, daarmee komt het verhaal in een ander licht te staan. Het verhaal blijkt niet te gaan om het vluchten uit de werkelijkheid, maar om het aanvaarden van die werkelijkheid. Au.

Er volgen meer posts over de plot
Deze blogpost heb ik geschreven vanwege de vele verzoeken die jullie me toestuurden. Ook de volgende post zal daarom over de plot gaan. Het laat je in een nieuw voorbeeld zien hoe je de bovenstaande vier momenten in je verhaal vorm kunt geven. Ook geeft het drie extra aanwijzingen om tijdens het ‘plotten’ in je achterhoofd te houden.

En jij?
Maar voor de volgende blogpost verschijnt, eerst deze post afronden. Kun je er iets mee? En hoe ga jij met het plot te werk? Heb je het vooraf al in je hoofd? Of komt het tijdens het schrijven? Of doe je helemaal niet aan plotten? Laat het hieronder weten! Dankjewel alvast.

Meer over het plot van je korte verhaal
Meer hierover vind je in het handboek Korte Verhalen Schrijven

Het belang van dat éne moment

Veel verhalen draaien om één cruciaal moment, om dat ene moment waarop het kwartje valt, dat ene moment waarop de stoel onder een personage wordt weggetrokken, dat ene moment waarop het beeld bevriest.

Volgens mij bereik je als schrijver niet dat moment door alsmaar verder te gaan totdat je er vanzelf wel komt. Want wanneer moet je verhaal dan stoppen met verdergaan? Verdergaan is iets waar geen einde aan hoeft te komen.

Ik denk dat een verhaal in plaats daarvan steeds dieper gaat. Met het verstrijken van de tijd krijgt een verhaal als het goed is steeds meer diepte. En het stopt als je de bodem raakt, als je niet dieper kan. Ieder verhaal heeft een potentiële diepte, en als verhalenschrijver wil je die bodem te bereiken.

Op de bodem van het verhaal ligt het ‘cruciale moment’ op je te wachten. Dat moment wordt ook wel een ‘epifanie’ genoemd: een ogenblik van verlichting of verschrikking. De bedrieger beseft dat hij zelf wordt bedrogen. De gezelligheidsdrinker beseft dat de drank hem stuk maakt (maar schenkt er toch nog eentje in). De moeder die voor haar kinderen zorgt omdat die niet voor zichzelf kunnen zorgen, schrikt terug van het idee dat haar kinderen niet voor zichzelf kunnen zorgen juist doordát zij steeds voor ze zorgt.

Maar ook al zou je het willen: je kunt het verhaal niet beperken tot de epifanie. Je kunt niet alleen de bodem laten zien. Er is een context nodig, een inbedding. Wat dat aangaat is ieder verhaal een compromis. Er moet eerst tijd verstrijken om een gevoel van diepte over te kunnen brengen. Het proces van het wegzakken in moeras, in de diepte, hoort erbij. Het stelt de lezer de lezer in staat de de bodem met een klap te raken.

Graag hoor ik hoe jij tot een cruciaal moment in een verhaal komt. Ken je het al voordat je gaat schrijven? Of dient het zich tijdens het schrijven aan? Of misschien houdt dat cruciale moment je niet bezig en werk je op een andere manier?