Categorie archief: Contrast

Wat Charles D’Ambrosio ons leert over het juiste ritme

Dit is een gastpost van San Bos. Deel 3 in een serie lessen van Charles D’Ambrosio.

Zonder ritme geen verhaal. In deze post geeft Charles D’Ambrosio zijn visie op het juiste ritme, iets waarvoor de meeste  handboeken nauwelijks of geen aandacht hebben. Een zeer positieve uitzondering daarop is trouwens Schrijven is ritme van Thomas Verbogt (inkijkexemplaar Bol, ik kan het je van harte aanraden). En voor het juiste ritme kun je natuurlijk ook de kunst afkijken bij de grootmeesters van het korte verhaal zelf, zoals bij Charles D’Ambrosio. Lees verder

Zonder licht geen foto… en geen verhaal

Het licht bepaalt hoe we een foto zien. Niet wát we zien, maar hóe. Als we een boom fotograferen bij vol zonlicht en even later opnieuw als er net een grote wolk voor de zon is geschoven, is de boom zelf niet veranderd, maar wel het licht dat op de boom valt.

Iets soortgelijks doet zich in onze verhalen voor. Als schrijver geef de lezer een licht mee waarin de gebeurtenissen gezien kunnen worden. Zonder dat licht tast de lezer in het duister. Ook te veel licht kan trouwens het zicht ontnemen, want dan ziet de lezer alleen maar de lichtbron en niet meer het beeld dat erdoor beschenen wordt.

Met dat licht gaan we een experiment doen. Ik wil namelijk jou als schrijver graag iets laten ervaren. Lees het volgende fragment, dat ik heb geplukt uit het verhaal Micha van Judith Hermann (halverwege).

Maja bracht het kind naar bed. In de kamer met het grote echtelijke bed voor de wandkast met de spiegeldeuren. Een heleboel dekens en kussens. Alice zat aan de tafel in de woonkeuken en luisterde.
Waar is het haasje.
Waar is het haasje.
Daar is het haasje. Daar.
Het lachen van het kind ging over in uitgeput huilen, Maja neuriede, fragmenten van liedjes, vannacht, God houdt de wacht. Slaap, kindje. Slaap. Toen was het stil. Alice dronk venkelthee, ze zette haar kopje geruisloos op het tafelblad, een soort meditatie. Na een poosje kwam Maja uit de slaapkamer en liet de deur voorzichtig aanleunen. Ze ging aan de andere kant van de tafel zitten, nam ook een slok thee en keek, net als Alice, door de terrasdeur naar de donkere tuin. De ruit spiegelde.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

Als je dit fragment zonder context (zonder licht) leest, valt er weinig bijzonders te zien. Een kind wordt naar bed gebracht, twee volwassenen drinken venkelthee. Misschien vraag je je af: waarom moest ik dit fragment lezen, zo bijzonder is het toch niet? Mocht die vraag bij je opkomen, dan moet ik Judith Hermann mijn excuses maken. Ik deed haar onrecht om dit fragment zonder licht aan jullie voor te leggen. Sorry, Judith. Maar ik deed het niet zonder doel. Ik deed het om te laten ervaren hoe noodzakelijk het licht in en op het verhaal is.

Het licht in dit verhaal is: er ligt iemand op sterven, namelijk Micha, de man van Maja. Het kind dat naar bed wordt gebracht is het kind van Maja en Micha – het zal binnenkort geen vader meer hebben. En Alice is een ex van Micha, ze kent Maja nauwelijks, ze is bij Maja om op het kind te passen als Maja haar doodzieke man in het ziekenhuis bezoekt.

Als je het bovenstaande fragment niet los had moeten lezen, maar ingebed in (en beschenen door) wat eraan voorafgaat in Hermanns verhaal, had je eenmaal aangekomen bij het fragment geweten wat er écht aan de hand was. Lees het bovenstaande fragment nog maar eens, maar nu met het licht dat de schrijfster voor je heeft aangestoken. Valt je op dat het ineens een ander fragment is?

De kunst is om te schrijven met voldoende licht. Niet te weinig (zoals door mijn toedoen bij de eerste opdracht gebeurde) en niet te veel. Te veel licht zou er zijn als Hermann constant zou laten zien dat Micha op sterven ligt, als ze dat expliciet zou laten zien in iedere zin, of anders in iedere alinea. Maar Hermann weet als Rembrandt hoe ze met licht en donker moet werken. Kijk maar, hoe het eerder aangehaalde citaat verdergaat:

Heeft hij iets tegen je gezegd, zei Maja.
Nee, zei Alice. Hij sliep, de hele tijd. Hij heeft zich ook nauwelijks bewogen. Zucht af en toe heel zwaar. Meer niet.
Maja knikte. Nou, zei ze, dan ga ik maar. Ik moet eerst even mijn haar kammen.
Alice zei niets. Maja waste in de badkamer haar gezicht, kamde haar haar, ze trok een ander truitje aan, grijs met groene strepen, pluizige zachte wol, het leek op een omgekeerd uitgaan, vond Alice.
Je ziet er mooi uit, zei ze.
Maja zag er mooi uit. Met die opvallende kringen onder haar ogen, klein en bleek en moe, haar haar strak uit haar gezicht gekamd en opgestoken. Een zinderend, donker stralen om haar heen.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

Aan het begin van dit tweede citaat maakt Hermann een opening in het verhaal waardoor het licht naar binnen kan vallen: met drie keer ‘hij’ verwijst ze naar Micha op zijn sterfbed. Maar ze laat ons niet blindstaren op die lichtbron. Nadat ze de opening heeft gemaakt, laat ze zien hoe Maja eruit ziet: ‘Een zinderend, donker stralen om haar heen’.

Wat we hier prachtig zien is Maja (het ‘wat’), in het licht van Micha (het ‘hoe’).

Overigens, dat we in het licht van het overlijden vooral kijken naar degene die achterblijven is niet alleen bedoeld als spel met licht en donker, het is geen spielerei. Het heeft alles te maken met wat de schrijver ons wil laten zien. Zoals de Neue Zürcher Zeitung het treffend verwoordt in een recensie van Alice: ‘de noodzaak van het achterblijven’. Het ‘wat’ van dit verhaal is dus het achterblijven. Het ‘hoe’ is in het licht van de dood.

En Hermann doet nog meer met het licht in haar bundel Alice. De bundel bestaat uit vijf verhalen waarin Alice telkens opnieuw met de dood wordt geconfronteerd. Het licht schijnt hierbij niet alleen steeds binnen een verhaal, maar ook van het ene verhaal naar het andere. Wat je als lezer in het ene verhaal ziet, neem je al dan niet bewust mee naar het volgende verhaal. Dat kan de kracht van een verhalenbundel zijn.

Trouwens niet onbelangrijk: Hermann opent Micha (en daarmee haar hele bundel, want Micha is het eerste verhaal) met voldoende licht:

Maar Micha stierf niet. Niet in de nacht van maandag op dinsdag, ook niet in de nacht van dinsdag op woensdag, wellicht zou hij woensdagavond sterven, of in de nacht van woensdag op donderdag. Alice meende wel eens gehoord te hebben dat de meeste mensen ’s nachts overlijden. De artsen zeiden niets meer, haalden hun schouders op en lieten hun lege, gedesinfecteerde handen zien. We kunnen niet doen. Het spijt ons.
(Judith Hermann, Micha, uit de bundel Alice, vertaling Gerda Meijerink)

In dit licht kunnen we het verhaal en de bundel lezen.

De leeservaring met Alice kunnen we vertalen in een paar schrijftips:

Zorg voor licht in je verhaal. Wat er in je verhaal gebeurt, moet in een bepaald licht staan. Maak voor jezelf een onderscheid in wát je laat zien, en hóe je het laat zien. Als je alleen gebeurtenissen hebt, die niet in een bepaalde context kunnen worden gezien, heb je geen verhaal.

Overbelicht je verhaal niet. Als je steeds alleen het licht laat zien, ziet de lezer wel het hóe, maar niet het wát van je verhaal. Of met andere woorden, er is dan wel context, maar geen inhoud.

Ontsteek het licht aan het begin van je verhaal. Als de lezer van het begin af aan voldoende licht heeft, kan hij meteen oog hebben voor het ‘hoe’ in je verhaal. In dit ‘hoe’ toont zich de ware schrijver.

Je feedback op dit blog blijft zeer welkom (dank je wel alvast). Momenteel ben ik sommige blogposts aan het omwerken tot hoofdstukken voor het boek Korte Verhalen Schrijven (verwacht: april 2011). De frequentie van dit blog is voortaan een keer per week. En de eerder aangekondigde bespreking van ‘Het korte verhaal als experiment’ kun je in een van de volgende posts lezen.

Hoe je je korte verhaal contrast geeft – een praktijkvoorbeeld

Vorige keer bekeken we wat contrast voor je verhaal betekent. We zagen dat er aan de ene kant contrast is tussen je personages, en aan de andere kant ook in je personages. We keken er vooral theoretisch naar. Dit keer maken we het concreet via het verhaal Hiernaast van Tobias Wolff, een verhaal dat we al eerder bespraken en dat integraal te lezen is op de website van uitgeverij Atlas.

Contrast tussen personages

Het verhaal gaat aan de oppervlakte over hoe een echtpaar de ruzie bij de buren ervaart. Er is een groot contrast tussen het echtpaar en de buren.

  • Het echtpaar zelf is passief, kijkt toe (vooral: luistert toe), doet niet of nauwelijks aan seks, ligt in bed en kijkt tv. Ze hebben een kat, geen kinderen. Voor de planten gebruikt de man een gieter.
  • De buren zijn actief, agressief, ze gillen en slaan. Aan seks doen ze tegen de ijskast nadat ze de hond een paar petsen hebben gegeven. Ze hebben een baby. Planten water geven doet de man door ertegen aan te piesen (of hij laat de hond dat doen).

Contrasten binnen personages

Contrast binnnen personages geeft ze diepgang. In dit verhaal kom je het contrast bijvoorbeeld tegen in de ‘ik’. Hij wil de politie niet bellen (maar weet zelf niet dat hij dat niet wil) en belt ook niet. Toch zegt hij dat hij tegen zijn vrouw dat hij wel gaat bellen. De dierlijke passie van de buurvrouw trekt hem aan, maar tegelijkertijd maakt hij zichzelf wijs dat dat niet zo is. Wel durft hij te erkennen dat de buurvrouw aantrekkelijk is, maar brengt daar meteen tegenin dat haar schoonheid geen lang leven beschoren is. Hij wil de televisie niet op de slaapkamer maar in de woonkamer, maar brengt de televisie toch niet daarnaar toe. Hij heeft behoefte aan seks, maar fantaseert in de slotalinea over geslachloze wezens.

Overeenkomst tussen personages

Maar met alleen verschillen schrijf je geen verhaal. Er zijn ook overeenkomsten nodig, zoals tussen de twee mannen in dit verhaal. Ze wonen in dezelfde straat, zijn met elkaar als buren opgezadeld. Ze handelen vanuit hun mannelijke identiteit, ze hebben interesse in vrouwen en in seks. Ze zoeken een manier om met vrouwen om te gaan. En ze hebben ook interesse in dezelfde vrouw: de vrouw van de buurman.

Bye bye Wolff

Dit is de laatste post waarin Tobias Wolff ons als voorbeeld dient. De drie winnaars van zijn bundel Hier begint het verhaal hebben inmiddels bericht ontvangen. Met dank aan uitgeverij Atlas. Deze maand gaan we verder met nieuwe verhalen aan de slag.

En jij?

Hoewel dit blog geen platform is om je eigen werk aan de wereld te laten lezen, ben ik benieuwd hoe jullie met contrast werken. Kun je een voorbeeld beschrijven van hoe jij in een kort verhaal met contrast werkt? En was dat in of tussen personages? En wat deed je met overeenkomsten?

Contrast – een belangrijk middel

Een van de technieken die je kunt inzetten in je korte verhaal, is het werken met contrast. Ook wat dat aangaat, lijkt een kort verhaal op een foto.
Contrasten kunnen mede de sfeer maken. En contrasten bepalen in hoeverre de elementen van je verhaal van elkaar zijn te onderscheiden. Ze kunnen ervoor zorgen dat het onderscheid toeneemt, maar ook dat het afneemt of zelfs helemaal verdwijnt. In een foto gaat het om het verschil tussen licht en schaduw. In je korte verhaal gaat het om andere verschillen. Contrast kan je helpen met weinig woorden iets neer te zetten, en dat is bij een kort verhaal geen overbodige luxe.

Hoe je in je verhaal contrast kunt aanbrengen

1. personages

contrast tussen personages
Bij het onderscheid tussen personages kun je denken bijvoorbeeld denken aan:

  • man en vrouw
  • jong en oud
  • introvert en extravert
  • allochtoon en allochtoon
  • rijk en arm

De lijst kun je aanzienlijk uitbreiden. Probeer het maar. In je verhaal kun je die verschillen benadrukken, of juist verdoezelen. Verdoezel je de verschillen helemaal, dan zijn de personages niet meer van elkaar te onderscheiden. Drijf je de verschillen op de spits, dan wordt je verhaal zwart-wit, karikaturaal, psychologisch oppervlakkig. Meestal ga je op zoek naar een balans.

contrast binnen personages
Bij het fotograferen zul je er meestal niet voor kiezen om de ene persoon volledig in de schaduw te zetten en de andere volledig te belichten. Het ligt meer voor de hand ieder persoon bij het spel van licht en schaduw te betrekken. Dat geldt ook voor een verhaal. Meestal heeft ieder personage zowel sympathieke als onsympathieke trekken, mannelijke en vrouwelijke kenmerken, ziet hij zowel de licht- als de schaduwzijde van de situatie waar hij in zit.

2. gebeurtenissen
Net als bij personages, kun je bij gebeurtenissen onderscheid maken tussen het contrast tussen gebeurtenissen, en contrast binnen gebeurtenissen.

contrast tussen gebeurtenissen

Bij het contrast tussen gebeurtenissen kun je denken aan:

* somber en vrolijk
* eenvoudig en complex
* verwacht en onverwacht
Ook deze lijst kun je heel lang maken.

contrast binnen gebeurtenissen

Een gebeurtenis is zelden helemaal het een of helemaal het ander. Rondom een begrafenis kan soms ook gelachen worden. Bij een bruiloft kan de sfeer ook om te snijden zijn. Iemand die gegijzeld wordt, kan ook liefde voor de gijzelaar voelen (het Stockholmsyndroom). Met contrasten binnen je gebeurtenissen maak je je verhaal psychologisch aantrekkelijk.

3. Andere contrasten
Hierboven bespraken we twee elementen van je verhaal uitvoeriger: personages en gebeurtenissen. Maar in principe kun je bij alles in je verhaal contrast aanbrengen:

  • decor
  • manier van spreken
  • zinslengte

Dit heeft ook met het ritme van je verhaal te maken. Hierover schreef Thomas Verbogt een mooi deel in de Schrijfbibliotheek: Schrijven is ritme.

Een juist contrast
Er is niet zoiets als een voorgeschreven hoeveeheid contrast die altijd werkt. Belangrijk is wel:

  • niet te veel
  • niet te weinig
  • op de juiste plaatsen

Maar wat dat concreet inhoudt, is in ieder verhaal anders. Wat in het ene verhaal te veel contrast is, kan in het andere verhaal te weinig zijn. Bij een foto genomen in volle zon, zul je de schuif van het contrast naar links zetten. Bij een foto in de schaduw juist naar rechts.

Zelf zet ik meestal in op een hoog contrast binnen het personage en binnen de gebeurtenis. Dat typeert mijn verhalen. Met de andere contrasten ben ik iets minder bezig. Maar nu ik er zo over nadenk, kan het geen kwaad ook de andere mogelijkheden van het contrast bewuster te gaan gebruiken.

En jij?
Welke contrasten zijn in jouw verhalen meestal belangrijk? En welke mogelijkheden voor contrast zou je in je verhalen meer willen onderzoeken?