Loop je bij het schrijven tegen een probleem aan? En is het dan van jou of van je personage?

Voorbeeld uit mijn eigen schrijfpraktijk. Ik liep tegen een probleem aan, of althans, tegen iets waarvan ik dacht dat het een probleem vóór mij en ván mij was. Maar het bleek anders te zitten dan ik dacht. Hieronder vertel ik hoe het me uiteindelijk lukte buiten de box te denken.

 

mijn probleem?

In mijn roman in wording Een meisje nog werkte ik namelijk toe naar een ontmoeting van een jonge vrouw met haar moeder. Die jonge vrouw heeft een rotjeugd gehad, en ze verwachtte nu opnieuw een rotmoeder te zien. Maar wat bleek toen ik de bewust scène met de ontmoeting ging schrijven? De moeder is niet een rotmens. Oké, ze is murw, ze praat weinig, laat weinig affectie zien, maar een rotmens is ze zeker niet.

Het werd dus niet een dramatische gebeurtenis met vuurwerk, ruzie, of iets wat uit de hand loopt. Het werd alleen maar een scène met een meisje dat negatieve verwachtingen van haar moeder heeft, en met een moeder die niet een vreselijk mens blijkt, maar hooguit wat apathisch reageert.

Daar ging mijn cruciale scène, en daar ging mijn boek, was mijn gedachte. En omdat het boek al in een brochure is aangekondigd en ik er van het Fonds voor de Letteren een mooie beurs voor kreeg, was het ineenstorten van het kaartenhuis dat mijn boek inmiddels was, niet my finest moment.

Na een paar dagen mijn boek en het schrijven eraan te hebben ontweken, haalde ik een paar keer diep adem (kan het je aanraden!) en ging ik na wat ik van het schrijfproces wist en of ik in dit geval wat aan die kennis had. Gelukkig bleek zich in mijn gereedschapskist een inzicht te bevinden waarmee ik mezelf verder kon helpen. (Dat klinkt trouwens een stuk vrolijker dan hoe ik het ervoer.)

 

mijn ervaring

Wat ik tijdens het schrijven aan mijn eerste boek (de verhalenbundel Intiemer dan seks) ontdekte, was dat het een verschil maakt of ik als schrijver een probleem heb, of dat niet ik, maar mijn personage een probleem heeft. Het ging destijds nog om iets kleins, namelijk dat mijn hoofdpersoon zijn vrouw een taart van de vloer bij elkaar ziet schrapen, en dat ik als schrijver niet wist hoe zo’n ding heet waarmee ze dat doet (ik wist alleen dat je er bijvoorbeeld vis mee uit een pan kan scheppen, inmiddels weet ik dat het een spatel heet). Ik zou destijds die naam gewoon hebben kunnen opzoeken, zodat ik die in het verhaal kon gebruiken (het verhaal is trouwens ook opgenomen in het handboek Korte Verhalen Schrijven). Maar toen ik de naam van dat ‘ding’ wilde gaan opzoeken, ging het door me heen: weliswaar weet ik als schrijver niet hoe zo’n ding heet, maar volgens mij weet mijn hoofdpersoon dat ook niet. Het was niet relevant en niet erg dat ik het niet wist. Het ging erom dat mijn personage het niet wist. En zo maakte ik van iets wat een probleem van mij leek, een probleem van mijn personage. Dat leverde me, uit het perspectief van mijn mannelijke hoofdpersoon, de zin op: ‘Ze staat op en rommelt in de keukenla, ze pakt er […] zo’n plat ding waarmee je vis uit de pan schept.’

 

het probleem van mijn personage!

In de boeken daarna heb ik dat procédé van het teruggeven van mijn vermeende schrijversprobleem aan het personage vaker toegepast, ook als het verder ging dan het niet weten van een woord. En ook nu met mijn roman in wording Een meisje nog maar, kon ik het toepassen. Dat de ontmoeting met de moeder niet tot een groots drama leidde, bleek niet mijn probleem, maar het probleem van mijn personage. Ikzelf wist al lang dat die moeder een stuk aangenamer was dan vroeger (ik had het verhaal immers zelf ‘bedacht’), maar mijn personage wist dat niet of wilde dat niet weten. Het was haar probleem dat zij een moeder tegenover zich vond die niet onaardig was en dat zij als dochter geconfronteerd werd met een kant van haar moeder die ze niet kende en vooral niet wilde kennen.

In plaats van dat ik het drama uiterlijk op de spits kon drijven met bijvoorbeeld een ruzie tussen een gekwetste jonge vrouw en een verschrikkelijke moeder, kon ik het probleem leggen bij mijn personage: ‘Alsjeblieft personage, hier heb je je probleem terug. Je moeder is aardig en jij wilt nog steeds denken dat ze verschrikkelijk is. Zoek het maar uit. Ik ga verder met het boek.’

Ik kan je dit procédé van harte aanraden. Het is geen tovermiddel, het werkt niet altijd, maar soms is het verdraaid handig.

 

en jij?

Herken je dit procédé? Heb je er voorbeelden van uit je eigen schrijfpraktijk? Of als het nieuw voor je is, denk je er iets aan te hebben? Dank je wel alvast voor je reactie!

 

gerelateerde posts

Hoe schrijf je een kort verhaal (ademen als metafoor van het schrijven)
Wat Charles D’Ambrosio ons leer over het schrijfproces (over openstaan voor verrassingen tijdens het schrijven)

 

4 gedachten over “Loop je bij het schrijven tegen een probleem aan? En is het dan van jou of van je personage?

  1. Paul Hanssen

    Het is uiteindelijk toch zo, dat de lezer met dat ‘probleem’ te maken krijgt als hij zich woord na woord en zin na zin, daar naar toe ‘gegraven’ heeft ?!
    Het is aan hem/haar of hij dat accepteert of niet.
    En (ik kan me natuurlijk vergissen maar . . .) een verhaal hoeft toch geen glijbaan te zijn waar op je plaats neemt en zoef . . . je bent aan het einde, je mag toch wel eens klem komen te zitten.
    Dan maakt ’t totaal geen verschil of het door de smalle glijbaan komt of door je eigen dikke kont, je moet zelf (= de lezer) zorgen dat je weer verder kunt gaan !

    Denk ik zo . . .

  2. Enzo Zanetti

    Beste Ton,

    Erg leuk, de manier waarop je de ontmoeting tussen moeder en dochter een nieuwe draai geeft. Het is wat verrassender en psychologisch geef je de jonge vrouw er naar mijn smaak meer diepgang mee, want het zet aan tot verandering.
    Maar, zoals Annemiek Verhoef hierboven al vraagt, hoe ga je dan verder? Moest je plan voor de rest van het verhaal drastisch aangepast worden? Had je het slot al geschreven, zoals sommige schrijvers doen? Of had de verandering van perspectief nauwelijks effect?

    Ik vind je site overigens erg inspirerend 🙂

    Ciao,

    Enzo

  3. Annemiek Verhoef

    Interessant Ton, maar toch een vraag. Je schrijft: ‘Zoek het maar uit. Ik ga verder met het boek?’ Maar hoe ga je dan verder? Ik neem aan vanuit je gewijzigde perspectief.
    Andere vraag: Heb je het drama toch bij de oorspronkelijke scène laten liggen, of heb je het verplaatst?
    Ik herken overigens wel het stukje out-of-the-box denken. Maar heb mijzelf nog nooit de vraag gesteld: is dit een probleem van mij als schrijver of van de hoofdpersoon? Ga ik misschien toch eens doen …

Reacties plaatsen niet mogelijk.